Heel af en toe, zeg maar bijna zonder uitzondering, kijken vrouwen over mij heen. Dat heerlijke, mannelijke brok testosteron dat voor ze staat. Waardering voor mijn lange wilde manen, die ik met liefde dagelijks shampoo en condition, blijft uit. Ook mijn lange, dunne, wiebelige lichaam doet vrouwenharten niet echt sneller kloppen. Het ergste van alles is nog wel; dames snappen niets van mij, of van wat ik doe. Nu heb ik dat gelukkig zelf ook, dus ik begrijp vrouwen maar al te goed. Dat is eigenlijk mijn enige pluspunt, nu ik er zo over nadenk. Maar ja, ondanks alles - ik heb testosteron. Dus ik ben een man.
Ik kijk geïrriteerd op; stemmen van achter mijn celdeur halen me uit mijn mijmeringen. Ben ik net aan het praten met een interessant persoon, mezelf, word ik gestoord. Maar er komt niemand naar me toe. Dus ik staar maar weer naar de muur, en probeer na te gaan hoe ik hier ook alweer terecht gekomen ben.

De kern van mijn probleem, mijn mannelijk falen, als je het zo wilt noemen, is namelijk dat ik hou van een vrouw die ik nog nooit in het echt heb gezien. Trish is mijn internetvriendin, wat dus betekent dat ik alle shit van haar ken, maar haar hoofd nog nooit eens aandachtig “in het echt” heb mogen bekijken. We kennen elkaar al vier jaar en we zijn stapelverliefd. Stapelverliefd onder voorwaarden; ik mag graag naar andere vrouwen kijken en regelmatig eens mijn hoofd helemaal over laten lopen van gevoelens voor allerlei onbekenden. God, wat zou ik graag willen dat Trish nu bij me was. Wat interesseren die anderen me eigenlijk ook… Hallo, ziet niemand dat? Deze houten bank zit ook niet lekker. Dat rare dunne lichaam van me, geeft me niet eens een normale kont met zitvlees. IJsberen dan maar. God het is hier koud. En Marscha neemt er de tijd voor. Verdomme, vraag je ook eens wat. Ik heb haar zeker twintig minuten geleden gebeld? Alsof ze iets beters te doen heeft. Kutwijf.
Trish… Soms stel ik me wel eens voor, als ik stoned ben, hoe een ontmoeting tussen mijzelf en iemand waarvan het innerlijk geen geheimen meer voor me heeft, maar wiens lichaam me compleet vreemd is, zal verlopen. Soms maak ik dan in mijn overmoed een vergelijking tussen mezelf en Howard Carter, die in 1922 de tombe van koning Toeth opende. Het moet net zoiets zijn als bij Tomb Raider - je weet dat er van binnen een schatkamer zit die je stoutste dromen overtreft, maar als je ervoor staat is de weg om er binnen te komen een groot raadsel en bezaaid met de meest gruwelijke vallen. Nóg stoutmoediger bedenk ik me dan altijd: ‘Wat Carter kon, kan ik beter!’ Pronkt er bij piramides een waarschuwing boven de ingang: “De dood komt op snelle vleugels naar degene die aan het graf van de farao komt”, ik zal te maken krijgen met een katholiek meiske dat haar maagdelijkheid ten koste van alles beschermt. Ga daar maar eens aan staan, Carter! De vloek van de Farao is een parkwandeling, vergeleken met de testen die je moet doorstaan, wil je de schatkamer van een vrouw betreden… Hier ijsbeert dan weliswaar een boegbeeld van mannelijkheid, maar zelfs bij mij gaat er wel eens een radertje scheef zitten, in mijn pogingen dit raadsel op te lossen. Waarom denk je anders dat ik naakt en apestoned in het centrum van Bussum rondren?

Er gaat een luikje in de deur open en er wordt mij koffie aangeboden. Ik sla het af en ik vraag of ik thee kan krijgen, waarbij ik uitleg dat koffie voor leraren en smerissen is, en bovenal - het is verslavend. De verslavingen die ik tot dusver heb opgebouwd zijn sigaretten (Luckies) en drank (alcohol) en daar ben ik zuinig op. Daarnaast, ik vind twee verslavingen al meer dan genoeg. Zonder verdere reactie wordt er een kopje thee voor me ingeschonken. ‘Zonder suiker, graag, want daar rotten je hersenen van weg.’ Verdomme, wat duurt het lang! Marscha, opschieten!
Ik schat dat ik na mijn vierde omhelzing een knal op mijn achterhoofd kado kreeg. Zo kwam ik er achter dat politieagenten van rond de veertig jaar met een breed, corpulent postuur niet discussiëren met magere naakte twintigers die onder invloed van softdrugs vrouwen omhelzen om lieve zachte woordjes in hun oor te fluisteren, maar liever de matrak laten spreken. Mag ik achteraf trouwens opmerken, deze diender had behoorlijk ruwe handen. Het begrip metroman zal nog wel niet doorgevoerd zijn binnen het politiekorps Gooi en Vechtstreek… De dikkerd sleurde me hardhandig de politiebus in. Ik vraag me trouwens nog steeds af hoe ik die bus over het hoofd heb kunnen zien. Hij stond pal achter me. De vrouw die ik net had losgelaten, na een tedere toefluistering, stond me nog steeds verbouwereerd aan te kijken. Ondanks de klap op mijn kop, de spreekwoordelijke sterretjes en de hash die mijn inschattingsvermogen aardig vertroebelde, las ik in haar ogen dat zij wist wie er voor haar stond; een tedere man die zichzelf verliest in de onmogelijkheid een vrouw lief te hebben die achter kilometers glasvezelkabel aan het andere eind van de wereld woont. Een man die zichzelf moedwillig verlaagt tot autistische, onhandelbare gek, enkel en alleen voor zijn hopeloze liefde. Zij zag de tederheid, de waanzin, het verlangen, de zelfopoffering en het genot van mijn keuze. Het begrip en het medelijden dropen langs haar ooghoeken, over haar gezicht. Toen de bus begon te rijden namen we visueel afscheid van elkaar. Ik dankte haar eeuwig voor haar begrip en haar medelijden. Zij bleef me sprakeloos nakijken.



