“Ik heb gewoon gelijk! Ik heb hem zelf gekocht! Ik heb hem nodig! Hij is van mij! Ik word gek als je me hem niet terug geeft… Weet je, ik kom hem gewoon halen. Ik trap je deur in, desnoods…” De laatste zinnetjes wiste ik, met backspace. Het klokje op mijn display begon te piepen: nog vijf minuten. Ik liep naar de balie en legde een euro neer bij de Indïer, voor nog een half uurtje surfen. Ik was al vijfenvijftig minuten aan het typen, mijn mailtje dijde uit en kromp ineen op de golven van mijn stemming - een eb en vloed van zelfcensuur en woedende zinnen aan mijn ex. Ik wist best dat het grotendeels aan mijzelf lag dat ze me nooit meer wilde zien. Ik had haar tenslotte met mijn blote vuisten een schedelbasisfractuur geslagen. Maar ik wilde dat ding persé terug. Hij was van mij. Daarnaast, ik had haar gewaarschuwd. “Ik heb een stoornis,” dat had ik gezegd. “… en als ik echt boos word, wat ik niet vaak word, dan zie ik rood en dan moet jij uit mijn buurt blijven.” Ze had gelachen toen ik het zei, en me gezoend. ‘Eindelijk een man die er echt op slaat, net als mijn pa!’ Dat had ze gezegd…
We kenden elkaar van Bristol. De stad, niet de winkel. We ontmoetten elkaar op een naar herfstbladeren ruikende middag in oktober. Ik was een paar minuten daar voor uit de bus gestapt, die me van Bristol-airport naar Bristol-port had gebracht. Ze stond uit te waaien bij de oude haven, haar mooie rug naar me toegekeerd. Ze tuurde met haar handen in haar zakken naar de meeuwen, die rondjes vlogen om de wegroestende kranen. Haar wapperende haren waren zo rood dat het leek alsof haar hoofd in brand stond. Ze groette me in het voorbijgaan en ik zag dat haar gezicht vol met sproeten zat. Ze had absintgroene ogen en grote witte tanden, die naar me lachten. Ik glimlachte terug en liep verder, tot aan het einde van een aanlegsteiger van gietbeton. Misschien wel om er in het water te springen, misschien wel om een einde aan alles te maken. Het was een mooie dag, rivierwater klotste kalm tegen de betonnen kade en de wind voerde een fijne zoute nevel mee van de zee. De zon hing laag boven de boten achter dunne sluierwolken, als een groot decorstuk. Ik voelde dat ik genoot van mijn uitzicht op de haven en de schepen, maar ik wilde het niet. Ik liep daar immers met een doel - een punt zetten achter mijn miserabele, mislukte leven. Mijn studie zat in het slop en ik was net gedumpt, ik had schulden en mijn depressie begon door mijn lithiummedicatie heen te lekken - ik zag er geen gat meer in.
‘Ga je jezelf van kant maken?’ riep ze me lachend na in het Engels. ‘Niet doen hoor! Het water is hier echt veels te smerig!’ Ze had gelijk. Ik zag grote stukken piepschuim, olievlekregenbogen en onduidelijke eilandjes van viezigheid in het water drijven. ‘Daarnaast, je ziet er veels te goed uit om te sterven,’ Ik bleef staan. Ik draaide me om, wees naar mijzelf en keek haar ongelovig aan. Ik weet dat ik er op zich niet slecht uitzie, ik heb felle blauwe ogen die iets doen bij de meisjes, maar ik vond haar echt te mooi voor mijzelf. Daarnaast, ik was niet in een knappe stemming. Ik had mijn jas tot aan de kin dichtgeritst en liep met mijn neus richting de straat. Maar ze zei: ‘Ja jij ja! Meneer de verdoolde droomprins!’ Ik grinnikte. Ik veegde wat haar uit mijn gezicht en liep naar haar terug. Ze wachtte tot ik vlak bij haar was, voor ze een hand uit haar zak trok en hem uitstak.
‘Hi, ik ben Kathleen. Kom prinsje, je ziet er uit alsof je wel een biertje kunt gebruiken.’ Ze nam me mee naar de pub waar ze werkte en ik bleef die nacht bij haar slapen. Na een week zei ik mijn kamertje in Amsterdam op en trok ik bij haar in. We gingen samenwonen in Bath, een voormalige Romeinse badplaats op een paar mijl van Bristol. Mijn spullen gaf ik weg aan mijn huisgenoten en mijn studie… ach mijn studie. Ik was blij dat ik er klaar mee was. Ik vond een baantje in de keuken van haar pub en we hadden het goed.
Op een buiige zaterdag in december liep ik warm ingepakt over de markt en zag ik een reusachtig stenen Boeddhabeeld, bij een kraampje. Ik kon het eigenlijk niet betalen, maar ik kocht het toch en sleepte het eigenhandig de halve stad door naar ons appartement. Zwetend zette ik het neer, op de vloerplanken voor ons bed. Daarna ging ik liggen op de sprei en viel in slaap. Ik werd wakker van haar gelach.

‘Hell, look what the cat brought in!’ Maar ze was er blij mee. Het ding kreeg een mooi plekje in onze woonkamer. En of het nu door het Boeddhabeeld kwam of niet, we groeiden in de weken die volgden steeds dichter naar elkaar toe. Die winter vierde ik een Engelse kerst met mijn sproetige familie. Ik miste mijn eigen bloedverwanten en vrienden eigenlijk nauwelijks. Ik bouwde mijn lithium af tot het absolute minimum en ik voelde me een tijdlang alsof ik eindelijk mijn plekje gevonden had. Maar de winter in Bath duurt lang en zelfs in de lente valt er natte sneeuw. De hoosbuien kwamen en gingen, en de straten werden maar niet droog. Het plensde net zo lang tot de kleur in mijn ogen doorliep, tot zelfs mediteren voor het grote stenen beeld niet meer hielp. Mijn ogen werden flets en ik bleef steeds langer in de pub hangen na mijn werk. Kathleen houdt niet van alleen thuis zijn, dus ze kwam er naast hangen. Op een gegeven moment ontdekten we dat we rondzwommen in een poel van Engels bier en onbetaalde rekeningen. We werden allebei ontslagen, op dezelfde dag. Kathleen gaf mij de schuld.
Die avond, in de pub waar we nu slechts klanten waren die harder probeerden te drinken dan de regen, ging ze voor me staan en sloeg met haar vlakke hand in mijn gezicht. Ze schold me uit voor ‘lousy bastard’ en zei dat er een vloek op mij rustte. Dat ze door mij haar baan kwijt was. En toen zei ze dat ze een ander had en dat ze me niet meer wilde. Het balletje in de flipperkast in mijn hoofd bleef hangen tussen twee knoppen. De machine rinkelde - tilt! tilt!. Maar uiterlijk bleef ik kalm. Ik stond op en vroeg langzaam of ik haar goed verstaan had. Ze stak haar middelvinger op, spuugde op de vloer en liep naar Patrick onze kok, die ook aan de bar zat. Ze pakte hem bij zijn kin, draaide zijn gezicht naar haar toe en begon met hem te tongzoenen. Ik liep naar de kok en rukte haar van hem af. Ik zag dat er bloed op haar lip zat. Ze likte aan haar lip, veegde met haar mond langs de rug van haar hand en gaf me toen een welgemikte schop in mijn kruis, met de punt van haar cowboylaars. En daarna nog één. Ik boog me voorover en greep naar mijn zaakje. Ik voelde een misselijkmakende pijn in mijn ballen. Na een paar seconden hijgen kwam ik overeind. Ze stond me triomfantelijk aan te grijnzen, met haar arm om de schouders van de keukenprins.
‘Come on you lousy bastard. Loser!’ Het werd rood voor mijn ogen, ik kon niet meer nadenken. Ik liep op haar af en haalde uit. Ze ging neer. En toen sprong ik bovenop haar en sloeg haar die schedelbasisfractuur, en twee blauwe ogen.

Opnieuw. Ik typte het nog een laatste keer: ‘…Ik kom hem nu halen. Ik weet dat je thuis bent. Je ziet me zo.’ Ik drukte op Send en liep het internetcafé uit zonder af te sluiten. Misschien had een andere sloeber er nog wat aan. Ik had het koud. Ik leefde nu al twee weken op straat en mijn handen waren sinds een paar dagen pijnlijk en trillerig. Mijn kleren kreeg ik nauwelijks nog droog, al gooide ik ze af en toe in een wasdroger. Met een middag in mijn plunjezak waren ze weer vochtig. Mijn lithiumpillen klonterden aan elkaar in hun doosje. De sokken in mijn gympen werden niet meer warm, ik had rimpelige zwemmersvoeten. En de plensbuien bleven maar komen… Ik liep druipend naar haar adres, door kletsnat Bath. Ik vond half op de tast haar bel. Ik hoorde iemand uit het raam scheeuwen: ‘Hier hem je hem, klootzak!’ Ik keek net op tijd omhoog om een zwart ding dat naar beneden suisde te ontwijken. De Boeddha landde met een klap op mijn linkergymschoen en brak met een misselijkmakend gekraak over mijn voet in tweeën. Ik ging kotsend out.

Toen ik weer bijkwam lag ik in bed. Ik kwam overeind en zag dat mijn linkerbeen in het gips zat. Mijn voet eindigde in een vreemde stomp van rood verband. Katheen zat aan mijn bed, met roodbehuilde ogen. Ze hield mijn hand vast en prevelde: ‘Het spijt me zo schatje, het spijt me zo.’ Op een stoel aan mijn voeteneinde zat de Boeddha te glimlachen. Er liep een breuklijn schuin over zijn lichaam, vanaf zijn schouder over de plaats waar zijn hart zat, tot aan zijn kruis. De breuk was haastig gerepareerd met cement. Ik glimlachte naar het beeld en zakte kreunend terug in mijn kussens. Ik verloor het bewustzijn met de lippen van Kathleen op mijn voorhoofd.


