Melk
Geplaatst onder Verhalen op 1 augustus 2006 door Sam Gerrits
Print

Ik reed achter een tankwagen op het klaverblad van knooppunt Hoevelaken. Er gaat daar zo’n lus naar beneden weetjewel, richting de A-28 naar Utrecht. Er was geen enkele aanleiding, de chauffeur reed gewoon te hard denk ik. Zijn combinatie begon in ieder geval te schuiven. De oplegger duwde tegen de koppelschotel, waardoor de achterwielen van de trekker uitzwenkten en het geheel schaarde. Het was alsof de combi in één klap stilstond. En toen begon het gevaarte te kantelen. Wat ik beschrijf speelde zich binnen een paar fracties van een seconde af, natuurlijk. Meestal is zo’n melktank wel bestand tegen de klap, maar het ongeluk wilde dat er net een glazenmakersbusje aan het inhalen was. Ik zag de ruitenhouder van de glazeniersbus in slowmotion onder de melktrailer schuiven. De stalen punten van het frame boorden zich in de tankwand en de ruiten braken in een explosie van glasscherven en melk. Het wegdek werd plotseling wit. Ik remde, raakte in een spin en mijn auto sloeg over de kop. Ik gleed ondersteboven verder en het dak werd ingedrukt door het gewicht van de auto. De ruiten barstten en sprongen stuk en ik kwam tot stilstand tegen de geschaarde trekker. Doordat ik niet meteen op het idee kwam mijn gordel los te maken en uit het wrak van mijn auto te kruipen, verdronk ik bijna in een rivier van melk, die mijn mond en vooral mijn neus bleef binnendringen. Maar ik slaagde er uiteindelijk in uit mijn auto te klimmen, of moet ik zeggen zwemmen?


Ik wankelde proestend naar de vangrail en ging er tegenaan liggen. Ik voelde aan mijn linkerarm en constateerde dat hij waarschijnlijk gebroken was. Mijn pak was drijfnat. Door een witte waas was nog te zien dat het ooit zwart geweest was. Ik bedacht me dat de melk uit mijn neus en mond droop en in mijn haar zat, en dat ik er vast uitzag als een spook. En ook dat ik, gezien de omstandigheden, best kalm was. Dat ik het ergste gehad had nu. Dat ik naar huis wilde, naar mijn vriendin. Daarna ging ik out, en ik weet van de volgende vierentwintig uur niets meer. Maar het kunnen er ook best achtenveertig geweest zijn, of honderdzestig? Ik ben de tel een beetje kwijt geraakt.
Er is uiteindelijk niemand gewond geraakt. Zelfs de glazenman niet. De halflege melktank bleef op de cabine van zijn bestelwagen rusten. De auto’s achter me hadden alleen wat blikschade. Het incident haalde geloof ik net de filemeldingen.
En dat is wat weinig, vind ik. Ken je dat gevoel dat je soms hebt, als je op weg bent naar de begrafenis van iemand die je lief was? Dat het niet klopt, dat iedereen in de wereld gewoon maar door leeft? Mensen eten patat, lachen, mensen zingen monotoon mee met popliedjes, mensen staan voor stoplichten, zoenen elkaar, maken ruzie, enzovoorts enzovoorts, alsof er niets aan de hand is. En je zou al die mensen eigenlijk even op de schouder willen tikken, om ze te vragen of ze op zijn minst even stil willen zijn als jij voorbij komt, nietwaar? Je wenst dat, net als in dat gedicht van Auden, alle kraaien witgeverfd worden, al is het alleen maar voor die ene dag, toch? Nou, dat gevoel heb ik al weken.

Ik heb er over nagedacht, wie of wat er nu precies gestorven is. Ik ben tot de conclusie gekomen dat ik het zelf ben. Ja ik weet het, het is een vreemde gedachte. Maar kijk naar de feiten. Ik voel me weliswaar redelijk goed. Normale eetlust, stoelgang etc. Maar het is alsof ik er niet meer ben. Ik hoef alleen maar te kijken naar mijn vriendin. Ze ziet me domweg niet meer staan. Het is niet zo dat ik fysiek verdwenen ben. Als ik voor haar ga staan en haar vastpak, moet ze zich wel loswurmen namelijk. En dat doet ze ook, maar zonder me aan te kijken. Ze doet het alsof ze achter een boomtak is blijven haken of zoiets. Als ik haar diep in de ogen kijk, kijkt ze met haar bruine irissen dwars door me heen. Het lijkt wel alsof ze vergeten is dat ik besta. Of nou ja, vergeten, ze kookt wel voor twee personen en we hebben ook seks. Best aardige seks zelfs. Maar ik ergens achter haar netvliezen, diep in haar hersenen, is een melkachtig troebel vlies ontstaan, waardoor ze nog wel fysiek met mij samenleeft, maar voor het overige vergeten is dat ik ooit bestaan heb. Hetzelfde geldt voor mijn werk. Twee weken na het ongeluk stuurde mijn baas mij een brief. De envelop was normaal geadresseerd, er stond ‘port betaald’ op en het logo van het bedrijf waar ik al twaalf jaar voor werk. Maar toen ik hem opende vond ik een spierwit, blanco vel papier. De volgende dag viel er weliswaar nóg een envelop in de bus, met daarin de gebruikelijke specificaties met betrekking tot ziektewet enzo, maar de toon was gezet. Met mijn arm gaat het niet goed. Hij is nog steeds niet gezet. Ik bel iedere dag naar het ziekenhuis, maar ik word keer op keer in de wacht gezet, en kom daar nooit meer uit. En als ik dan opbel en dat zeg, wordt ik met een welgemeend excuus weer in de wacht gezet.

De wereld moet veranderd zijn, of ik ben anders. Ik ga de laatste tijd veel naar buiten om te wandelen. Mijn ogen drogen uit van de verwarming en het zachte geknetter van mijn televisiescherm werkt me op de zenuwen. Daarnaast krijg ik het koud als ik stilzit, want mijn arm doet pijn. En dus vlucht ik twee keer per dag naar buiten, om te voelen hoe mijn zolen afrollen op de stoeptegels, bij elke stap die ik zet. Fijn gevoel is dat. Contact maken met de grond, de natte bladeren die op mijn pad liggen tellen. Vroeger keek ik veel naar de hemel onder het wandelen. Maar daar ben ik mee gestopt. Als mijn blik naar boven dwaalt, zie ik steeds dat alles melkwit is. Het lijkt wel alsof dit land opgesloten zit in een tupperware doos. Vroeger dacht ik er niet zo over na, nam ik aan dat het gewoon laaghangende herfstwolken waren ofzo. Maar hoe lang kun je zoiets volhouden? De hemel is altijd wit en de zon is er niet. Dit zijn de feiten.

Halverwege mijn rondjes kom ik langs een grasveldje, waar honden worden uitgelaten. De drollen die er liggen zijn wit uitgeslagen. Ik loop er altijd snel voorbij. Daarna is het nog tien minuten naar huis. Achterom lopen, de sleutel in het slot steken, mijn voeten vegen bij de achterdeur en weer naar binnen. Als mijn vriendin er is groet ik, soms kus ik haar op haar wang, meestal niet. Ik kan net zo goed een bewegende pop op de Efteling kussen. De televisie staat altijd aan. Op het scherm praten mensen. Hun lippen bewegen als de lippen van vissen in een vissenkom. Ik hoor wel woorden, maar er is geen betekenis. Of het moet die ene conclusie zijn, die door echoot in alle talkshows, popzenders en tekenfilms; Dat we met zijn allen opgesloten zitten in een reusachtig melkpak, met een boodschap op de zijkant met onze foto er bij - ‘vermist.’ Ik vraag me af of iemand dit ooit eerder opgevallen is. Met de mensen op straat kan ik mijn observaties niet delen. Als ik iemand aanspreek word ik genegeerd. Soms lopen ze me omver en kijken dan verstoord achterom, alsof ze niet begrijpen wáár ze tegenop gelopen zijn. Mijn vrienden nemen hun telefoon niet op. Ik ga steeds vaker naar de supermarkt, de laatste tijd. Daar spreken ze namelijk wel tegen me. Oké, het vocabulaire is beperkt, ‘Spaart u ook zegeltjes?’ of ‘Heeft u een voordeelkaart?’ Dat soort dingen vragen ze me. Als ik daar op inga, verglaasd hun blik en ze kijken dwars door me heen net als mijn vriendin, maar het is iets.

Vandaag is de laatste dag. Ik loop over straat, mijn gebruikelijke rondje. Het enige verschil is dat ik vandaag mijn kleren thuis heb gelaten. Ik heb alleen een wit t-shirt, dat ik ik om de bezem uit de bijkeuken gebonden heb. Ik draag mijn bezem-met-shirt als een soort vlag voor me uit. Niemand slaat er acht op, maar dat hoeft ook niet. Ik doe dit voor mezelf. Bij het hondengrasveldje stop ik. Ik wacht tot alle honden weg zijn, loop het veld op en ga klappertandend zitten, met mijn achterste in het vochtige gras. Het maakt nu niets meer uit zou je denken, maar ik pas er toch voor op dat ik niet in de uitwerpselen ga zitten. De bezem plant ik ferm voor mijn neus, met zijn steel zo in de grond als ik hem krijg. Mijn witte shirt wappert in de wind, terwijl het zachtjes begint te sneeuwen. God ziet me wel. De vlokken smelten in het natte gras, maar blijven liggen op de drollen. Mijn voeten zijn ijskoud en mijn zaakje is gekrompen tot de grootte van een golfbal. Ik begin te rillen. Het klappertanden gaat steeds sneller. Mijn huid is witter dan wit. Door het kippenvel zie ik er uit als een geplukte kip. Ik bedenk mezelf dat ik er vast uitzie als een spook. En dat ik witte vlekken voor mijn ogen zie. Daarna ga ik out.

Je moet geregistreerd staan om te kunnen reageren.