Een hond om in te bijten
Geplaatst onder Verhalen op 1 april 2006 door Rob Kappen
Print

D’n duvel. Je zag ‘m nog wel eens staan op middeleeuwse prenten, maar verder leek ‘ie voorgoed geretoucheerd uit de menselijke belevingswereld. Niemand scheen zich nog echt druk te maken over de klassieke vijand van het Opperwezen. Niemand, behalve Booske van Lariekoek. Een wetenschapper, deze Booske. Althans, eentje die dat wilde worden. Hoogbegaafd, 22 en een verbluffend vermogen tot logisch denken. Een begenadigd wiskundige en veelbelovend studente logica, maar bovenal: wereldverbeteraar. Soms een beetje radicaal, maar dat kwam omdat ze zich al op jonge leeftijd had gerealiseerd dat het zo droevig gesteld was met de wereld als gevolg van de diverse elkaar al dan niet beconcurrerende godsdiensten. Zodoende zette ze zich met volle overtuiging in voor een betere en zachtaardige wereld waar mensen op een fatsoenlijke manier met elkaar om konden gaan zonder religie. Waarom Booske zo’n hekel had aan godsdienst wist ze eigenlijk niet - ze was opgegroeid in een geseculariseerde samenleving zonder taboes. Waarschijnlijk was het de logicus in haar die doorzag dat hoe groter het mysterie is, hoe meer de mensen er in geloven. En dát kon deze nuchtere Hollandse ziel natuurlijk niet verkroppen.
        Met haar studie en haar werk in eetcafé De Sympathieke Pseudo-Belg ging het voortreffelijk. Het regende tienen, complimenten en fooien. Alleen… met de liefde wilde het voor Booske niet zo vlotten. Niet dat ze nooit mannen had. Ze mocht graag op reis gaan en dan ging het allemaal wat eenvoudiger met de seks. Vooral ook omdat je die mannen in verre landen een stuk gemakkelijker kon dumpen. Hier in het stadje gaf dat allemaal maar gelul en verwijten, want Booske kon nogal kattig zijn. Dat kwam omdat ze graag naar natuurdocumentaires op enkele van haar 37 kabelnetten keek. Het meest werd ze gebiologeerd door roofdieren en hun paargedrag. Die mannetjesleeuwen! Dat waren net mensenmannen. Slapen, vreten en neuken: meer deden ze niet! Behalve een levenslange haat-liefde-verhouding met de andere sekse brachten Animal Planet en Discovery Channel haar ook een chronisch klein hartje op dat ze het liefst deelde met honden.
        De laatste keer dat Booske verkering had gehad was alweer bijna driekwart jaar geleden. Het was een iets oudere jongeman, een werkeloos acteur, die naar de naam Roald Flopkovits luisterde. Ze had zich nog nooit zo in iemand vergist. En toch, toch hield ze van hem, wat zich niet verklaren liet. Roald was vijf jaar ouder, vrij slim, een beetje lui, zwaar op de hand en altijd blut. Booske had hem ontmoet in het eetcafé waar hij wel eens een pint dronk met zijn vrienden. Hij had haar verteld over zijn theaterachtergrond, method acting en het grote scala aan emotionele registers dat hij beheerste. Dat vond Booske wel interessant omdat ze zelf nogal nuchter was en ze zich erg op haar gemak voelde bij zo’n grappige, gevoelige en wat oudere man. Roald, die weliswaar lui was, maar wiens radar voor vrouwelijke aandacht altijd op volle sterkte draaide, had haar met subtiele tederheid het hof gemaakt. En Booske, ach wat was ze blij! Zelden stond een dame zo te trappelen om verleid te worden.
        Ze hadden het wel leuk die eerste maanden, Roald en Booske, Booske en Roald. Hij deed eigenlijk niet zo veel, bezocht af en toe een voorstelling, sprak soms af met zijn artistieke vrienden en kroop zo vaak mogelijk tegen Booske aan. Meestal kookte zij, wat ze goed kon. Roald kon ook lekker koken, maar had twee keer expres matig gekokkereld voor zijn nieuwe vriendin. Dit omdat hij al tijdens het eerste etentje had vastgesteld dat hij uitstekend zou tafelen als zíj zou koken. Bovendien had hij al snel niet zoveel zin meer om zich uit te sloven. Hij zat in zijn blauwe periode, zeg maar, en wist even niet hoe hij de dingen aan moest pakken.
Booske daarentegen was druk met duizend-en-één-dingen en op de seks na kreeg ze ook steeds minder belangstelling voor de werkeloze acteur, die dat niet leuk vond. Ze snapte niet waar hij het zo moeilijk mee had. Ze mocht graag naar hem luisteren, maar hij kon zo blijven hangen in de dingen. Ik ben ik en jij bent jij, zei ze altijd. Ze kon toch moeilijk ook zelf op de bank gaan zitten pruilen? Daar werd de wereld zeker niet mooier van. Ze vond hem echt bijzonder en wilde, als hij ongeveer deed wat zij zei, best bij hem blijven. Maar helaas kregen ze steeds vaker ruzietjes om niks en als Roald aangaf dat hij hun relatie op deze manier niet prettig vond, kon Booske het katje in haar niet de baas, snauwde hem af en siste dat ze hem ‘irritant’ vond. Zo belanden ze langzaam in een spiraal van steeds sterker uitgesproken verwijten. Booske maakte zich ook steeds kwader over de latent aanwezige religiositeit van Roald, die hij verklaarde uit het feit dat Thèpsis uit de godsdienstige cultus rondom Dionysos het theater had doen ontstaan. Booske, die niets om theater of welke vorm van kunst dan ook gaf en al helemaal niet op vage verklaringen zat te wachten, werd hierdoor met de week een zo mogelijk nog fellere godsdiensthater. Roald, die niet erg recht in enige leer was, vond het aanvankelijk wel vermakelijk, maar begon zich na een tijdje af te vragen waar de woede en haat van Booske vandaan kwamen. Zijn vriendin had immers nooit geleden onder het geloof, dat was iets voor allochtonen en depressieve Tukkers. De slimmerik in hem vertelde haar dat ze de politieke verhoudingen in de wereld beter zou begrijpen als ze enige kennis nam van de verschillende wereldgodsdiensten, en ook dat discussies over moraal en ethiek nog steeds voor een groot deel gevoed worden door de ideeën die uit de verschillende geloofssystemen zijn voortgekomen. Booske daarentegen had al op de middelbare school geleerd dat ethisch nihilisme het enige is dat de mensheid nog rest. Ze ontstak dan ook in woede. ‘Vuile, vieze kletskoek!’ gilde ze. ‘Ethisch nihilisme godverdomme! Ethisch nihilisme en verder geen gelul!’

Jammer genoeg had Roald al enkele malen eerder de fout gemaakt zijn eigen filosofische beschouwingen, die minder strak onderbouwd waren, vaak associatief tot stand kwamen en voornamelijk stoelden op de ervaringsleer, soms op haar scherpe geest los te laten. Zo had hij haar in een discussie over geweld en criminaliteit gevraagd na te denken over de volgende stelling: als je een land bouwt op een logische illusie waarbij niets heilig meer is, krijgt de maatschappij kortsluiting. Het was de eerste en tevens de enige keer dat ze hem had geslagen – vol in het gezicht. Roald had toen maar besloten er liever niet meer over te praten, maar de basis voor een deugdelijke relatie ebde natuurlijk langzaam weg. Wel praatten ze nog vaak en veel over dieren. Daar raakte Booske niet over uit verteld. Zij was er vast van overtuigd dat de manier waarop de westerse consumptiemaatschappij met dieren omging de blinde morele vlek van onze tijd is. Roald had zijn kaken strak op elkaar gehouden en haar niet durven vragen waarom de top van de chain-of-being dan met elkaar omging zoals Booske en Roald met elkaar omgingen. Volkomen menselijk namelijk, zoals dat met mensen gaat – immers.
Aldus eindigde het op de eerste zomerdag van het jaar, toen Roald in een waas van onmachtige verdwazing op één dag drie dingen had gedaan waarvoor Booske hem, gelijk de Jehova’s Getuigen, drie grote rode kruizen op de deur spijkerde. Allereerst had hij tegen beter weten in geprobeerd een gesprek met haar te voeren over het verband tussen het Tweede Gebod en beeldende kunst. Ten tweede had hij, toen ze daarop nogal agressief en negatief reageerde, aangegeven zich zo langzamerhand ‘emotioneel verwaasloosd’ te voelen omdat het inmiddels verboden was te praten over onderwerpen die hem interesseerden. En ten derde, en dat was het Grootste Kwaad geweest, had ze ontdekt dat hij het afgelopen halfjaar inderdaad éénmaal een pornosite had bezocht. Op haar computer! Háár heilige computer!
        ’Godverdomme Roald!’ had ze geschreeuwd, ‘En je hebt de toneelacademie!’
        Hij had haar met open mond aan staan kijken. Dát causaal verband had hij zelf namelijk nog nooit gelegd. Hij zei tegen haar: ‘Ik wist niet dat je het gebod op afgodenverering zo letterlijk nam.’ Daarna hadden ze een minuut of tien vinnige verwijten tegen elkaar gemaakt, waaruit duidelijk werd dat het niet meer goed zou komen. Uiteindelijk had hij tegen haar geschreeuwd: ‘Godverdomme huppelkut! Als jij meent dat je alles beter weet dan zoek je het maar uit! Je bent echt ontzettend slim, maar ook een drammend kind en je weet nog lang niet alles! Muts!’
‘Dat is een argumentum ad hominem!’ siste ze boos.
‘Wat?’ zei Roald.
‘Dat is een op de man gespeelde drogreden. Je maakt mij in een discussie een persoonlijk verwijt, dat mag helemaal niet! Dat doen jullie mannen altijd. Jullie!’
‘Ja, meiske,’ stamelde Roald, ‘Als ik nu ook al in een liefdesrelatie niet meer persoonlijk mag worden, dan weet ik het ook niet meer…’
‘Ik heb nog nooit iemand ontmoet die zo lamlendig is!’
Roald ontplofte.
‘En ik heb nog nooit geneukt met een psychopaat! Ik heb nog nooit een vriendin gehad die het zo weinig interesseerde wat ik uitvreet! Dat is ook lamlendig!’
‘Je kunt godverdomme precies doen waar je zin in hebt!’ gilde Booske. ‘Ik leg je geen haarbreed in de weg om al die … die …. die kuttoneelstukjes te bedenken!’
‘Het is echt ongelofelijk,’ piepte Roald, ‘Ik ken echt niemand die zó minzaam en zó neerbuigend volledig negeert wie ik ben en waar ik voor sta.’
Ja. De kunstenaar was gekrenkt tot in het diepst van zijn wezen. Werkelijk.
‘Wie jij bent? Wie jij bent?’ sidderde Booske, ‘Je bent een depressieve, gefrustreerde en zwakbegaafde loser! Je hebt niet eens een auto! Zie je hoe ik woon? Dat is tien keer beter dan jij!’
‘Ik heb geen rijke ouders!’ brulde Roald.
‘Mijn ouders zijn tenminste vrij! Hoor je me? Die van jou… Man! Dat zijn vuile, vieze kletskoekgevangenen!’
Hierop werd Roald zo kwaad dat hij met veel bombarie en gescheld haar huis had verlaten om er nooit meer terug te keren. En dát had Booske nooit begrepen: dat een man met wie zij de moeite nam het bed te delen ervoor koos om niet de hele tijd met haar te bekvechten, en haar vervolgens achterliet tussen haar wiskundeboeken en logische vergelijkingen. Roald, de luie en werkeloze acteur, was die avond uit pure lamlendigheid maar weer bij zijn ouders gaan eten, de gevangenen. En die vroegen hem uiteraard hoe het met Booske was.
‘Ja, die is boos,’ had de acteur geantwoord.
        ’Waarom?’ vroeg zijn vader.
        Roald twijfelde. Zijn vader, die erg netjes en gedisciplineerd was en eveneens een wereld wilde waarin mensen fatsoenlijk met elkaar omgingen zonder godsdienst, had net als Booske nogal moeite met het tonen van emoties.
        ’Tja… ehm… Voornamelijk omdat ik dus het afgelopen jaar… Ehm… ja dus één keer een pornosite heb bekeken. Ja.’
        Zijn vader trok een wenkbrauw op. De blik in zijn ogen was fel. Het leek alsof zijn mondhoeken wit werden. Zijn moeder, die bijdehanter was dan haar volgzame tred deed vermoeden, prikte in een aardappel en zei: ‘Ze is toch wetenschapper?’
        Roald knikte.
        ’Nou, dan heeft ze vandaag haar eerste echte wetenschappelijke ontdekking gedaan. Ze heeft een man ontdekt die het soms leuk vindt om naar blote vrouwen te kijken.’
        Zelfs de vader van Roald glimlachte. ‘Dat wordt vast een hele bijzondere hoogleraar, jongen.’
        Roald knikte. ‘Ja, dat denk ik ook.’

Booske daarentegen sprak in heel andere toonaarden over de ontknoping. Tegen haar ouders, broer en zus, vriendinnen en klanten van het eetcafé raakte ze niet uitgeraasd over de ongekende agressiviteit waarmee Roald haar bejegend had. Ze spotte hard over zijn zwaarmoedigheid, zijn gebrek aan financiële middelen, zijn fascinatie voor theater en religie en vooral over zijn totaal irrationele logica. In haar hart was ze vertwijfeld, want ze had deze man echt lief en ze had alles gedaan wat redelijkerwijs binnen haar mogelijkheden lag om hem te koesteren en te begrijpen, maar deze acteur – verdomme: de vleesgeworden contradictie was ‘ie.
        ’Ja!’ riep ze tijdens een avondje wodkadrinken met haar vriendinnen, ‘Ik leg hem geen haarbreed in de weg, hij moet lekker doen waar hij zin in heeft, het interesseert me helemaal geen kut wat ‘ie doet en denkt, man! En dan voelt ‘ie zich godverdomme emotioneel verwaasloosd!’
        Haar vriendinnen, die grote bewondering hadden voor Booske omdat ze goed kon studeren, zich voortdurend erg zelfstandig opstelde en bovendien beter woonde dan zij en dankzij een ietsie pietsie ouderlijke subsidie ook nog een auto reed, dronken hun wodka uit, doofden hun joints, slikten nog een ecstasypil, legden een allerlaatste lijntje coke en zeiden: ‘We vonden hem meteen al een viezerik, Booske. Maar we wilden je niet kwetsen. Kop op, meid, je bent de beste.’
        In de week daarna gingen de ouders van Booske samen op een cursus ‘Hoe leer ik dwangmatig liegende criminelen herkennen?’, overwoog haar broer serieus weer te gaan rugbyen en begon haar zus met Tae Bo voor beginners. Je wist tenslotte maar nooit met zo’n gevaarlijke acteur in de buurt. De klanten van eetcafé De Sympathieke Pseudo-Belg waren eveneens unaniem: het zou verboden moeten worden dat hele godvergeten kunstgedoe! Wie dacht die Roald Flopkovits wel niet dat ‘ie was: een beetje toneelspelen de hele dag en dan ook nog onaardig doen tegen zo’n ontzettend leuk en mooi meisje! Zo’n ontzettend begaafd en knap meisje, daar wilden ze immers allemaal wel het bed mee in, maar niemand kon haar krijgen: helaas. Die vuile, vieze acteur, godver-de-godver! Een potentiële massamoordenaar was ‘ie, een improviserende gangster!

In de maanden die volgden stuurde Roald Flopkovits verschillende mailtjes en sms’jes naar Booske van Lariekoek. Ze negeerde hem volledig. Volgens Booske had het geen enkele zin een nog bloedende wond te besprenkelen met zout. Niet eens zo’n stomme gedachte overigens. Eén keer informeerde Roald echter naar haar wetenschappelijke vorderingen en dat mailtje kon ze natuurlijk niet weerstaan. Hij was immers de enige persoon in haar directe omgeving die daarvoor ooit wezenlijke interesse had getoond. Omdat ze echter vermoedde dat hij het niet alleen wilde hebben over symbolische logica, reageerde ze zelfs voor haar doen uiterst koel: Ik heb nu geen tijd voor je, maar ik bel je wel als ik je nodig heb. Dit mailtje van Booske van Lariekoek maakte dat Roald Flopkovits toen voor eens en voor altijd zeker wist dat het in ieder geval niet aan hém had gelegen.

Een aantal weken later kreeg Roald echter opeens een sms’je van Booske. Hij had zich juist vermand en was zowaar weer met een nieuw project begonnen. Ik heb een hond, sms’te ze. Een hond, dacht Roald? Een hond? Nou nou. Hij besloot haar te bellen.
        ’Ja, die heb ik gekregen van papa. We gaan samen op puppy-cursus, Jerommeke en ik.’
        ’Jerommeke?’ zei Roald.
        ’Ja, het is een teef,’ antwoordde Booske.
        ’Maar waarom een hond?’ zei Roald met een mond die zo mogelijk nog wijder openhing dan toen ze hem wees op het causaal verband tussen mevrouwen zonder kleren en de toneelacademie.
        ’Ach, dat is veel leuker dan een man. Je kunt ze africhten en leiden en ze stellen niet de hele tijd van die rare vragen, hihi. Hoewel trouwens… Er is ook een bijzondere overeenkomst tussen mannen en honden: als ze een konijn zien dan rennen ze er allebei keihard achteraan. Nou, dag schatje. Ik bel je wel weer als ik je nodig heb.’

De rest van de avond besteedde Roald aan het opstellen van de logische vergelijking En toch zijn er mannen die niet achter konijnen aanrennen. Hij sms’te het naar Booske. Een sms’je dat nooit beantwoord werd en zijn onmacht verder vergrootte. Voor het eerst sinds de breuk werd hij er niet kwaad om. Het grootse deel van zijn woede had gezeten in het feit dat ze hem pijn deed zonder dat ze dit zelf in de gaten scheen te hebben. Moe en vooral verdrietig vroeg hij zich af waarom het voor zo’n intelligent meisje zo moeilijk was om te variëren in emotioneel register, maar al peinsde hij zich suf – hij kon de sleutel die in dit slot paste niet vinden. Uiteindelijk ging hij slapen en viel hij in een droomloze slaap. Iets wat hem vaker overkwam sinds het uit was met zijn betoverende meisje van de nacht.

Booske ging die avond laat naar bed. Ze had de hele avond besteed aan een artikel over Wittgenstein en voelde zich eenzaam en onbegrepen zonder de zachte strelingen van Roald en zijn vertederende onkunde op het gebied van hard-materialistische filosofie. Al begreep ‘ie er niets van: hij wilde tenminste luisteren. Uiteindelijk besloot ze maar dat Jerommeke bij haar op bed mocht, dan kon ze nog even een ander levend wezen aanraken. Een lief en hanteerbaar levend wezen. De pup, die mooi en schrander was, bleef net zo lang drentelen totdat Booske toestond dat zij op het kussen mocht liggen. Precies hetzelfde kussen waar Roald al die maanden op geslapen had en waar hij zijn hoofd nooit meer op te rusten zou leggen. Booske krabde het beestje eerst achter de oren en keek vervolgens naar de witte voetjes van het jachthondje.
        ’Schatje,’ fluisterde ze met een grijns, ‘Schatje, jou zal ik in ieder geval nooit emotioneel verwaarlozen. Nooit.’

        Het beestje piepte een beetje en liet zich kroelen. De pup voelde zich erg op haar gemak op het kussen, het was alsof het voorbestemd was dat ze er altijd op zou liggen. Na lang aanhalen gaf haar bazinnetje het beestje ten slotte een kusje op de neus.
        ’Slaap zacht, Jerommeke. Slaap zacht.’
        De pup zakte genoegzaam weg en nam de eerste afslag naar dromenland. De neus tegen die van het baasje. Ze hoeven beslist niet dezelfde kant op te staan, zo bleek. Ook Booske werd slaperig. Ze wierp nog een laatste blik op het wezen van haar liefkozingen en toen was ze weg. Vertrokken, foetsie in het religieuze vacuüm van de slaap. Ze had een vreemde droom die nacht, meerdere malen achter elkaar. Een droom met de dimensies van een bijbels epos, geprojecteerd op het onderbewuste beeldscherm van haar ziel. Er zal geknars van tanden zijn droomde ze. Geknars van tanden. Jazeker, geknars.

        

Rob Kappen

Je moet geregistreerd staan om te kunnen reageren.