Geachte heer Voers,
Ik besef dat ik mijzelf met deze zending vrijwel onmiddellijk bij u onder verdenking stel. Ik heb dan ook enige tijd geaarzeld voor ik u de bijgevoegde documenten toezond. Het is mijn overtuiging dat ze slechts een geringe bijdrage zullen leveren tot het onderzoek naar de dood van mijn collega Meindert Jagers, en veelal alleen maar voor verwarring zullen zorgen. Ik stuur ze u ondanks deze bezwaren toch, op aanraden van mijn partner. Ik vermoed dat u op de papieren enige vingerafdrukken van mijzelf, naast die van de heer Jagers zult aantreffen. De inhoud van het verslag zelf lijkt me niet relevant. Mijn collega had een drankprobleem en schreef wel vaker vreemde, morbide dingen. Het is weliswaar feitelijk juist dat hij recentelijk enige tijd in de omgeving van Al Amarah, in Irak verbleef, en daar archeologisch onderzoek heeft verricht, maar er is geen enkel bewijs dat hij de verloren graftombe van de genoemde Perzische monarch werkelijk ontdekt zou hebben. Omdat mijn collega al enige jaren obsessief bezig was met juist deze specifieke tombe, de laatste ontbrekende in een serie van zeven, acht ik het meer dan waarschijnlijk dat ook de minder ireëele delen van bijgevoegd verslag aan zijn fantasie ontsproten zijn. Het Akkadische woord dat mijn collega noemt heeft zich later in het Aramees naar het bekende ‘Azazel’ ontwikkeld, wat staat voor zondebok. Dat deze term vaak abusievelijk als naam voor de satansfiguur binnen de christelijke mythologie gebruikt is, bevestigd mijn vermoeden natuurlijk alleen maar. Ik vond deze papieren op het bureau van mijn collega, onder de ongelukkige omstandigheden waarvan u inmiddels op de hoogte bent. De vlek bovenaan het laatste A4′tje is waarschijnlijk veroorzaakt door zweet van zijn voorhoofd. Ik weet zelf ook niet goed waarom ik de papieren meenam. Ik hoop dat ik u door deze handelwijze niet al te veel tot last ben geweest. Uiteraard ben ik meer dan bereid om mee te werken aan uw onderzoek. Als ik u op enige manier van dienst kan zijn, hoor ik het graag. U weet mij te vinden.

Met vriendelijke groet,
Dr. Ivar J. Waalberg, hoofd vakgroep archeologie.
BIJLAGE
IIIIIIII
Ik wil niet meer
Ik wil niet meer schrijven
Ik kan niet meer scheeu=rijven
Ik zal alleen nog dit opschrijven
de reden waarom ik nooit meer iets opschrijven zal
Dus dit is het dan. Mijn enige ware verhaal. een spookverhaal…
‘Azlu!’ De demon siste en zijn ogen lichtten op in het donker. Mijn zaklamp viel uit mijn hand en landde met een plofje in het stof, dat de verloren gewaande grafkamer van Darius IV bedekte. De lichtbaan bescheen een berg zacht glanzende grafgiften in een hoek. Of het albast of edelmetaal was kon ik niet bepalen, van waar ik stond. De laatste rustplaats van de monarch lag, zoals ik al vermoedde, verborgen onder de moskee van een gehucht in de buurt van Al Amarah. Ik was alleen afgedaald. Niemand in het ingeslapen dorpje peinste er over om mee te gaan. Om te beginnen riep je zeven jaar ongeluk over jezelf af, door de keldergewelven van de moskee te betreden. Dit bezwaar had ik weten te omzeilen door de imam een handvol bankbiljetten toe te stoppen. Hij nam ze met een vies gezicht aan en liep de profeet aanroepend weg. De sleutel liet hij voor mijn voeten vallen. Verder was er, volgens de plaatselijke overlevering, sprake van een demonische aanwezigheid in het graf. Ik had daar zoals gewoonlijk mijn schouders over opgehaald, maar ik moest toegeven dat de inboorlingen het in dit geval toch misschien bij het rechte eind hadden.

‘Luister naar wat ik zeg.’ zei de demon. Ik verstond hem nu moeiteloos. Ik knikte en het schepsel wenkte me met een geklauwde vinger. Ik had geen keus. Mijn lichaam boog zich voorover tot mijn gezicht zo dicht bij het zijne was, dat onze voorhoofden elkaar raakten. Het wezen grijnsde en begon me toe te spreken. Zijn uitspraak kenmerkte zich door veel harde klinkers en keelklanken. Tijdens zijn verhaal zag ik beelden voor mijn geestesoog, als in een film. Ik zal proberen weer te geven wat ik zag:
Op de golven van zijn stemgeluid zag ik bloemen, die zich openden in de nacht. Reusachtige vleesachtige kelken die opkwamen en langzaam openvielen, met de geur van rottend vlees. De geur verdween al snel in de nacht, en daarna verschenen er grote witte motten, die om de bloemen cirkelden als bijen rond een korf. De motten bestoven de geurloze bloemen, door er op rond te lopen en met trillende voelharen naar de bron van de reukloosheid te zoeken. Want de kelken ontsproten uit duisternis, en de naam van deze duisternis was stilte. De onwil van deze stilte om te spreken was de reden dat de bloemen iedere nacht weer opkwamen. Ik moet nogal onbegrijpend gekeken hebben, want de demon blies laatdunkend en begon aan een korte uitleg. Ik zal hier in mijn eigen woorden opschrijven wat hij me vertelde:
‘Toen Ahura Mazda de schepselen maakte, gaf hij ze twee paar ogen. Alle wezens nemen de dingen op twee manieren waar, en leidden zo twee levens, naast elkaar. Voor wie deze oorsprong niet vergeten is, heeft alles in het ondermaanse een dubbele waarde, een gestalte zowel als een schijngestalte. Wie niet vergeten is dat hij ontspringt uit licht en uit schaduw, weet dat hij bestaat als een lichaam - tastbaar en zichtbaar in het schijnsel van de zon, en als een ontastbaar wezen, vastgelegd in de schaduwen die zijn gestalte lengen naarmate de zon richting de horizon zakt.
Stenen, planten en dieren weten dit. Zij kennen ook de twee vormen van stilte, die jij vergeten bent, leeg mens. Er is een stilte voor vorm en er is een stilte voor schaduw. Stenen stilte is wat jij hier kwam zoeken. Zij die woont tussen monumenten en in eenzame, met gras begroeide plaatsen. Plaatsen die inspireren tot grafredes en stil huilen. De vorm die stenen stilte omgeeft berooft haar van haar verschrikking. Zij is de collectieve stilte van jullie einde, en ze zwijgt.’
De demon pauzeerde en tikte met zijn nagels op het kunstig bewerkte granieten deksel van de kist. De lichtjes in zijn ogen flikkerden op, voor hij verder ging.
‘Stenen stilte bezit geen macht, omdat ze van zichzelf niets is. Je kwam hier om te zoeken naar wat je al kent, maar je bent afgedaald in haar schaduw, en in haar schaduw vond je mij. Er is een naamloze wind die waait in donkere plaatsen waar geen mensenvoet ooit zal treden. Daar vindt ze haar oorsprong. De schaduw tussen de sterren fluistert haar naam. Voel hoe ze je beenmerg verkilt en vervloek je geboorte.’ Het schepsel had me stevig bij mijn nekvel en zijn klauwen werden als ijspegels. Toen hij de hulpeloze blik in mijn ogen zag begon hij te lachen. Hij lachtte zo lang en hard, dat hij opgloeide als een sintel. Ik voelde zijn klauwvingers als hete nagels in mijn vlees branden. Ik wist dat als ik met hem mee zou lachen, ik gered zou zijn. Maar ik kon niet meelachen. En omdat ik niet meelachte vervloekte hij me. Toen liet hij me gaan en ik vluchtte de tombe uit, zonder om te kijken.
En nu zit ik hier, tussen mijn boeken. Ik doe alsof ik werk maar er komt niets uit mijn handen. Ik staar uit het raam naar een sterrenhemel, die me geen troost meer biedt. Uit mijn oor druppelt een geel vocht en ik weet dat geen dokter me kan genezen. Want ik hoor hem nog steeds. Zijn gesis in iedere bladzijde die ik omsla. Bij iedere voetstap of kuch schrik ik op. Als er een schoonmaakster met de stofzuiger bezig is, hoor ik hem lachen over het geluid van de motor. Wat er ook tussen de sterren huist, het woont nu ook in mij. Dus dit is het dan. Mijn einde. Niet met een schreeuw, maar met stilte. Wil niet meer schrijven…

Sam Gerrits


