Toen je belde was was ik net mijn haar aan het föhnen. Ik stond er een liedje bij te mompelen, met mijn kont tegen de badkamermuur. Iets met een pakkend refreintje was het, ‘Nananana, we all flow in my pace…’ ofzo. Geen idee wat het was, ik had het denk ik op de wekkerradio gehoord. Ik hoorde je door de herrie heen rinkelen en rende in mijn blootje de slaapkamer in. Ik gooide mijn haar over een schouder en nam blij de hoorn op.
‘Schatje!’ Ik was verrast, je was een stuk vroeger dan normaal. Je belt me meestal rond half acht ’s ochtends. Jij hebt dan pauze. Van waar jij belt is het vier uur vroeger, en aardedonker en koud. Een ijzige wind houdt de heuveltop waar je zit driehonderenzestig dagen per jaar in zijn greep. Valwinden uit de bergen gieren om de reusachtige koepels, waarin jullie zitten en naar de nachthemel turen. En jij zit daar dan, in je warme vest dat ik voor je gebreid heb, in een groot kantoor vol met computers, met knipperende oogjes vanwege het felle TL-licht en met je handen om een mok warme koffie, bij te komen van je wacht bij de telescoop. Tenminste zo stel ik het me voor. En als je je koffie op hebt neem je nog een kopvol, je pakt je mobiel van je buro en je rijdt op je kantoorstoel het donker weer in. Omdat je daar privacy hebt, en ook omdat je daar, door een spleet in het koepeldak, naar boven kunt kijken. Waar net zulke mooie sterren hangen als hier, dat zeg jij altijd. Je kunt zelfs Orion zien, van waar jij zit. Dat vind ik mooi. Dat we er allebei naar kunnen kijken. En dat je daar dan naar kijkt als je me belt.

Ik ging vroeger dan gewoonlijk naar huis. Onderweg speelde het liedje non-stop door mijn hoofd, ‘Nananana, we all flow in my place,’ Zoiets was het, maar dan anders. Ik pijnigde mijn hersens om achter de juiste woorden te komen, maar ik kon er niet meer op komen. De tram was vol en rook naar vochtige jassen. Ergens voorbij halte Breedstraat begon het weer te sneeuwen. De tram werkte zich piepend en schokkend een weg naar de remise, over de natte rails. De beetjes sneeuw die waren blijven liggen waren grauw van de stadsdampen. Toen we de Tweede Dwarsgracht over gingen zag ik een lange rij mensen staan voor een nieuwe winkel. Er werd vast iets uitgedeeld, of misschien was het een nieuw theater, of een nieuw soort frietzaak? Voordat ik achter de ruggen langs kon kijken, waren we er al voorbij. Bij mijn halte wrong ik me tussen de mensen door en ik stapte uit. Ik liep tussen de vallende sneeuwvlokken naar mijn woning. Ik keek omhoog naar de hemel en stak mijn tong uit, om er eentje op te vangen. Ik moest aan mijn broertje denken. Wij maakten vroeger vaak sneeuw met piepschuim. We wreven dan twee stukken tegen elkaar en we gingen er onder liggen op de grond, totdat we helemaal bedolven waren onder de plakkende witte bolletjes. Als ik op de grond lag, dan zag het er net zo uit als nu. Alleen dan met het gezicht van mijn broertje er boven natuurlijk, het puntje van zijn tong uit z’n mond, geconcentreerd bezig met zijn theatrale taak. Zo ingespannen zie ik jou soms ook zitten, achter een stel formules op je computer, of achter onze telescoop thuis. Dat ding staat nu ongebruikt onder een stofkap op zolder. Soms kijk ik er ook in, maar ik vind het een beetje eng, eigenlijk. Het zal wel met de grootsheid en de leegte van alles te maken hebben. Alsof je bovenop een heel hoog gebouw staat en de diepte in kijkt. Met je oog tegen de lens voelt het soms alsof je ineens naar buiten gezogen wordt, het grenzeloze niets in. Maar jij kijkt er heel anders naar. Ik weet nog goed dat je me de maan liet zien, op je studentenkamer. De zeeën op de maan. Mare Tranquillitatis, zee van de stilte. Mare Nectaris, zee van nectar. Jaja. Lavazeeën zijn het, gestolde bloeduitstortingen die na enorme meteorietinslagen volgden. Inslagen ter grote van wat hier op aarde de dinosauriërs heeft doen uitsterven, volgens jou dan. De eerste kijkers, met hun troebele telescopen, dachten dat er water in stond, vandaar al die namen. Ach mijn broertje en zijn piepschuim sneeuwvlokken. Ik was zijn persoonlijke weervrouw. Hing het weer maar van mij af. Dan zou ik hier een prachtig wit sneeuwdek met een warm zonnetje maken en voor jou een kalme, warme nacht, daar op je Zuid-Amerikaanse bergtop
Ik liep de kamer binnen en draaide de thermostaat van de verwarming een stukje hoger. Je stond op mijn antwoordapparaat. Je begon met een zenuwachtig lachje, en je zei iets dat klonk als ‘ruimtelijk rijmteluikje.’ Iets raars in ieder geval. Maar daarna begon je vol enthousiasme over je werk. Iets dat ik zoals gewoonlijk maar half begreep, maar ik was blij voor jullie. Jullie nieuwe interferometriemethode werkte eindelijk, en jullie hadden dieper inzicht in het planeetsysteem rond Alpha Cygni 1034-C of E gekregen. Je hebt het me wel eens uitgelegd. Interferometrie is een soort bril, als ik het goed begrijp. Eentje die werkt als de ogen van een kreeft. Zeg maar allemaal losse buisjes, waarvan het beeld samengevoegd wordt in het brein. Je hebt er wel eens een plaatje met uitleg van gestuurd. De ster waar jullie naar keken staat in het sterrenbeeld Zwaan. Het was één van de eerste waar jullie echte planeten bij ontdekten. Niet zomaar dode klompen rots die duizeligmakende rondjes draaien rond een steriele röntgenzon, nee, echte gasreuzen, die zich rond een zon bewogen die op die van ons leek. Daar ergens hadden jullie met de nieuwe methode het absorptiespectrum van stikstof opgepikt, en CO2 en water. Een stikstof atmosfeer, vergelijkbaar met de onze, triljaren kilometers weg weg… Het kon allemaal op een meetfout berusten, maar je had goede hoop dat jullie voor het eerst een aarde-achtige planeet in het vizier hadden. Een planeet vol water en CO2, dat zei je. Ik stelde me voor hoe het er sneeuwde. En toen stopte je abrupt met vertellen. Het was even stil, en toen giechelde je weer dat rare giecheltje. En daarna begon je een liedje te zingen - mijn liedje. Alleen jouw tekst was anders: ‘Nananana, we’re all floating in space.’ Dat zong je. Je zong het bijna twee keer, toen was de elektronisch gereserveerde ruimte voor je boodschap op. Ik trok de hoorn bijna van de telefoon voor ik je terugbelde. Je nam niet op.

Die avond zag ik het op het nieuws; Jullie hadden voor een spectaculaire wetenschappelijke doorbraak gezorgd. Maar niemand op jullie van god verlaten bergtop was bereikbaar voor commentaar. De sierlijke patronen in de kristallen ruis rolden voor iedereen zichtbaar de huiskamers in, via het televisiescherm. Maar er stond niets op de website dat het filmpje verklaarde, en jullie zwegen. De bergtop is een dagreis van het dichtsbijzijnde dorp verwijderd, door de woestijn. En dat kan prima, het telescopencomplex is een stad op zich en heeft grote voorraden. Maar jullie zijn al een paar dagen onbereikbaar, door een zandstorm die verkeer over de onverharde weg onmogelijk maakt. Jullie beantwoordden je e-mail niet, zeiden ze. Het enige wat nog werkte was een ouderwets telexapparaat, dat er voor noodgevallen stond. Verslaggevers zoomden in op het gezicht van de telexman, een half-Indiaan met bolle wangen. Hij stond met een angstig gezicht bij zijn apparaat, ‘Madre de Dios!’ te roepen terwijl het apparaat onophoudelijk series enen en nullen uitspuuwde. Repen papier lagen kriskras gekruld door zijn kantoortje, als de sierlijke lussen die versnellerdeeltjes maken, als ze uitvlokken in een electromagnetisch veld.

Sam Gerrits


