Vruchtvlees
Geplaatst onder Verhalen op 1 januari 2006 door Sam Gerrits
Print

Het voelt vreemd, en toch bekend. Als je bijna al het vruchtvlees weggeknabbeld hebt, breek je een huls en je betreedt een verborgen plek. Je tanden stuiten op de structuur die in de appel verborgen zit. Het vruchtvlees zelf is overal, sappig en zoet. Je appel is groot als een ganzenlever, een tamme, getergde berg zoetigheid waarin je je tanden diep kunt zetten, zo anders dan zure wilde appeltjes. Maar tussen vier of vijf houtige vliezen zitten nog bijna altijd bruine pitjes. Pitjes perfect als waterdruppels in de zon en zo vallen ze ook, op de grond uit appels die je te ver doorbijt. En dat is jammer want je vindt het prettig om er een paar in je mond te nemen nietwaar? Om ze te zoeken met je tong en dan doormidden te bijten en de amandeltjessmaak te proeven. De smaak van blauwzuur in de pit, dat knaagdiertjes moet ontmoedigen. Moeder natuur denkt aan alles.

Bij elke hap appel die je vandaag neemt, lopend over de natte stoep langs knalpijpen en over kauwgomvlekken, denk je aan de appelboomgaard van je opa, achter zijn huis in de provincie. Het veldje van je opa vol met appelboompjes, krom en klein als hemzelf. De appeltjes liggen er ongeplukt op de grond, wegrottend en pony’s uit het weitje er naast mogen er aan komen kluiven, met hun grote tanden en nieuwsgierige lippen, briesend, schuddend met hun manen. Het gras ruikt zoet, naar fruitsuikers en rotting en jij en je opa klimmen op keukentrapjes en staan op stoelen in het hoge gras en je oma maakt appeltaart, appelmoes, appelcompote, ingemaakte appeltjes, appelzuur, appelflappen enzovoorts enzovoorts en de wespen vliegen af en aan, niet stekend want high van de appeldampen die opstijgen van tussen de grashalmen.
En op een morgen vroeg vind je daar, in het gras dat nat is van de regen van die nacht, het perfecte klokhuis. Een appel is ver van de boom gerold en het vruchtvlees is weggegist in de zon en weggespoeld door de regen. Maar het tere binnenste is ongebroken en staat fier overeind en je kunt de pitjes er in zien liggen, in vijf transparante zaadlobben, met de vorm van een vijfpuntige ster. Je pakt het kunstwerkje voorzichtig bij het steeltje maar het steeltje laat los. Het huis breekt bij de aanraking van je vingers. Maar je hebt het wonder aanschouwd. Een perfect klokhuis, dat op zichzelf bestaat, zonder appel en niet alleen dat, dat misschien wel de reden is dat de appel bestaat.
Je veegt de resten af aan je broek. Je veegt druppels van de schommel die je opa ooit voor je heeft opgehangen en gaat er op zitten. Het touw houdt je nog maar net. Je schommelt en mompelt: ‘Zaadjes in klokhuizen, bomen in zaadjes, appels in bomen, klokhuizen in appels…..’ En wat dient voor wat? Je denkt aan een gedicht over vallende bloesems. De bloesem is ook deel van de boom. Maar zo kort maar. Je bewondert de wespen, die zich nu al verliezen in een zoemende orgie van overrijp fruit. Hebben dezelfde wespen voor de bevruchting van hun voedsel gezorgd? Of doen bijen dat? Je neemt je voor beter op te letten volgende keer en het aan opa te vragen. Oma roept je naar binnen voor ontbijt. Je voelt aan de billen van je spijkerbroek. Nat. Je klimt de trappen op naar de veranda en opent de hordeur. Oma vraagt of je lekker geslapen hebt. Je zegt van wel.
Maar nu ben je hier, in deze stad waar je naar school gaat en er vallen sneeuwvlokken uit de hemel die smelten zodra ze de stoep raken. Je hapt in je appel en die appel hangt in een kleine mistwolk, de adem uit je mond. Mist die begint met de vorm van je mond. Je hapt nog een keer. Je hebt gelijkmatige, grote tanden en mooie volle lippen en daar heb je niets voor gedaan. De zon hangt achter sneeuwwolken, koel en duidelijk als een volle maan. Je zuigt een paar pitjes uit het klokhuis en gooit de resten in de goot. Ze landen precies tegen het radiaalprofiel van een autoband. Je loopt verder, de huizen tellend. Nummer 74 moet je hebben.
Daan doet open en je bloost. Daan is mooi. Hij is een van de knapste jongens van de school, heeft blond haar tot op zijn schouders en hij scheert zich niet erg vaak, maar hij kan het hebben. En hij heeft die lichtblauwe ogen die dwars door je heen gaan. Jullie zitten naast elkaar met biologie en jullie gaan leren voor het proefexamen. Of eigenlijk Daan gaat leren en jij gaat hem helpen. Daan is beter met surfboards snijden. Hij zit al op de vloerbedekking als je zijn kamer binnen komt, de boeken om zich heen. Daan’s moeder komt binnen met thee en koekjes en als ze weg is knabbelen jullie de chocola er af en blazen op de hete vloeistof en je giechelt om zijn grappen en strijkt een lok blond haar weg voor je oor, zodat Daan je oor beter kan zien. Niet bewust natuurlijk. Je lippen tintelen en als Daan je aankijkt om je iets te vragen gaan ze iets uit elkaar. De lichtjes in je ogen schijnen helder, achter pupillen die wijd open staan om het beeld goed op te slaan. Je verstaat niet  echt wat hij zegt maar dat hoeft ook niet. Daan weet waarschijnlijk ook al niet meer wat hij vroeg. Hij buigt zich over de boeken op het kleed naar je toe en je hebt geen keus. Je buigt mee, als een rietstengel in de wind. Je boek valt uit je hand en de rug ervan prikt in je rug, als Daan je zacht achterover duwt, tegen het tapijt aan.
Daan gaat half op je liggen en zijn handen zijn overal en zijn mond, zijn mond… Terwijl je daar ligt en het bloed door je oren suist maakt je lichaam zich, voor het eerst, klaar voor bevruchting. Je wilt dit. Je komt verhit en hijgend overeind, om je t-shirt doodserieus uit te doen en precies op het moment dat je je shirt over je oren trekt en weer kunt zien kijk je in zijn prullenmand. Je ziet een bruine, half opgegeten appel, liggend tussen de papierproppen.
En ineens denk je aan je vriendinnen en hun verhalen over Daan. Daan en zijn meisjes. Je hebt die verhalen nooit geloofd maar nu je naar die half opgegeten appel kijkt voel je iets vreemds in je buik. Je shirt hangt half over je hoofd heen en Daan trekt het grinnikend weg. Je laat het toe. Hij pakt je bij je zachte roze middel en zoent je hartstochtelijk en zijn vingers zitten al in de sluiting van je BH, als je zijn armen beetpakt en hem van je afduwt. Hij kijkt verbaasd. Je wangen zijn rood van de opwinding, maar iets anders in je neemt het over en en zegt:
‘Sorry Daan, maar ik kan dit niet.’ Daan hijgt nog na, hij wordt een beetje boos.
‘Waarom dan? Vind je me niet leuk?’
‘Jawel, maar ik…. Ik heb al een vriend.’ Dat is niet waar. Maar jij zegt het niet. Iets in je zegt het voor je. Je trekt je shirt weer aan en pakt stil je boeken bij elkaar. Lang voordat de zondagmiddag voorbij is klos je Daans’ trap af. Daans’ moeder is een wijze vrouw. Ze fatsoeneert je haar met haar handen en geeft je een stuk fruit mee, van de fruitschaal op de keukentafel. Je glimlacht dankbaar en loopt de deur uit, terwijl je de bandjes van je rugtas aantrekt. Buiten nummer 74 is alles hetzelfde. Alleen de sneeuw is op sommige plekken blijven liggen. Je veegt een traan weg en haalt je neus op, maar je bent niet echt verdrietig. Je kunt het nog niet benoemen maar je weet dat iets je vanmiddag beschermd heeft. Iets dat woont in de stervormige plek waar je dromen opgeborgen zitten, als pitjes in het vruchtvlees. De appel van Daans moeder is groot en rood. Je hapt er in en het sap loopt langs je kin. Als je halverwege bent kijk je naar het gele vruchtvlees. Je loopt en eet verder. Je moet je inhouden om niet te gaan huppelen.

Sam Gerrits

Je moet geregistreerd staan om te kunnen reageren.