Het voelt vreemd, en toch bekend. Als je bijna al het vruchtvlees weggeknabbeld hebt, breek je een huls en je betreedt een verborgen plek. Je tanden stuiten op de structuur die in de appel verborgen zit. Het vruchtvlees zelf is overal, sappig en zoet. Je appel is groot als een ganzenlever, een tamme, getergde berg zoetigheid waarin je je tanden diep kunt zetten, zo anders dan zure wilde appeltjes. Maar tussen vier of vijf houtige vliezen zitten nog bijna altijd bruine pitjes. Pitjes perfect als waterdruppels in de zon en zo vallen ze ook, op de grond uit appels die je te ver doorbijt. En dat is jammer want je vindt het prettig om er een paar in je mond te nemen nietwaar? Om ze te zoeken met je tong en dan doormidden te bijten en de amandeltjessmaak te proeven. De smaak van blauwzuur in de pit, dat knaagdiertjes moet ontmoedigen. Moeder natuur denkt aan alles.

En op een morgen vroeg vind je daar, in het gras dat nat is van de regen van die nacht, het perfecte klokhuis. Een appel is ver van de boom gerold en het vruchtvlees is weggegist in de zon en weggespoeld door de regen. Maar het tere binnenste is ongebroken en staat fier overeind en je kunt de pitjes er in zien liggen, in vijf transparante zaadlobben, met de vorm van een vijfpuntige ster. Je pakt het kunstwerkje voorzichtig bij het steeltje maar het steeltje laat los. Het huis breekt bij de aanraking van je vingers. Maar je hebt het wonder aanschouwd. Een perfect klokhuis, dat op zichzelf bestaat, zonder appel en niet alleen dat, dat misschien wel de reden is dat de appel bestaat.
Je veegt de resten af aan je broek. Je veegt druppels van de schommel die je opa ooit voor je heeft opgehangen en gaat er op zitten. Het touw houdt je nog maar net. Je schommelt en mompelt: ‘Zaadjes in klokhuizen, bomen in zaadjes, appels in bomen, klokhuizen in appels…..’ En wat dient voor wat? Je denkt aan een gedicht over vallende bloesems. De bloesem is ook deel van de boom. Maar zo kort maar. Je bewondert de wespen, die zich nu al verliezen in een zoemende orgie van overrijp fruit. Hebben dezelfde wespen voor de bevruchting van hun voedsel gezorgd? Of doen bijen dat? Je neemt je voor beter op te letten volgende keer en het aan opa te vragen. Oma roept je naar binnen voor ontbijt. Je voelt aan de billen van je spijkerbroek. Nat. Je klimt de trappen op naar de veranda en opent de hordeur. Oma vraagt of je lekker geslapen hebt. Je zegt van wel.

Daan doet open en je bloost. Daan is mooi. Hij is een van de knapste jongens van de school, heeft blond haar tot op zijn schouders en hij scheert zich niet erg vaak, maar hij kan het hebben. En hij heeft die lichtblauwe ogen die dwars door je heen gaan. Jullie zitten naast elkaar met biologie en jullie gaan leren voor het proefexamen. Of eigenlijk Daan gaat leren en jij gaat hem helpen. Daan is beter met surfboards snijden. Hij zit al op de vloerbedekking als je zijn kamer binnen komt, de boeken om zich heen. Daan’s moeder komt binnen met thee en koekjes en als ze weg is knabbelen jullie de chocola er af en blazen op de hete vloeistof en je giechelt om zijn grappen en strijkt een lok blond haar weg voor je oor, zodat Daan je oor beter kan zien. Niet bewust natuurlijk. Je lippen tintelen en als Daan je aankijkt om je iets te vragen gaan ze iets uit elkaar. De lichtjes in je ogen schijnen helder, achter pupillen die wijd open staan om het beeld goed op te slaan. Je verstaat niet echt wat hij zegt maar dat hoeft ook niet. Daan weet waarschijnlijk ook al niet meer wat hij vroeg. Hij buigt zich over de boeken op het kleed naar je toe en je hebt geen keus. Je buigt mee, als een rietstengel in de wind. Je boek valt uit je hand en de rug ervan prikt in je rug, als Daan je zacht achterover duwt, tegen het tapijt aan.

En ineens denk je aan je vriendinnen en hun verhalen over Daan. Daan en zijn meisjes. Je hebt die verhalen nooit geloofd maar nu je naar die half opgegeten appel kijkt voel je iets vreemds in je buik. Je shirt hangt half over je hoofd heen en Daan trekt het grinnikend weg. Je laat het toe. Hij pakt je bij je zachte roze middel en zoent je hartstochtelijk en zijn vingers zitten al in de sluiting van je BH, als je zijn armen beetpakt en hem van je afduwt. Hij kijkt verbaasd. Je wangen zijn rood van de opwinding, maar iets anders in je neemt het over en en zegt:
‘Sorry Daan, maar ik kan dit niet.’ Daan hijgt nog na, hij wordt een beetje boos.
‘Waarom dan? Vind je me niet leuk?’
‘Jawel, maar ik…. Ik heb al een vriend.’ Dat is niet waar. Maar jij zegt het niet. Iets in je zegt het voor je. Je trekt je shirt weer aan en pakt stil je boeken bij elkaar. Lang voordat de zondagmiddag voorbij is klos je Daans’ trap af. Daans’ moeder is een wijze vrouw. Ze fatsoeneert je haar met haar handen en geeft je een stuk fruit mee, van de fruitschaal op de keukentafel. Je glimlacht dankbaar en loopt de deur uit, terwijl je de bandjes van je rugtas aantrekt. Buiten nummer 74 is alles hetzelfde. Alleen de sneeuw is op sommige plekken blijven liggen. Je veegt een traan weg en haalt je neus op, maar je bent niet echt verdrietig. Je kunt het nog niet benoemen maar je weet dat iets je vanmiddag beschermd heeft. Iets dat woont in de stervormige plek waar je dromen opgeborgen zitten, als pitjes in het vruchtvlees. De appel van Daans moeder is groot en rood. Je hapt er in en het sap loopt langs je kin. Als je halverwege bent kijk je naar het gele vruchtvlees. Je loopt en eet verder. Je moet je inhouden om niet te gaan huppelen.

Sam Gerrits


