Een Baldakijn van Waterdamp
Geplaatst onder Verhalen op 1 januari 2006 door Martin Bier
Print

Het was in de nazomer van 1988 toen ik door een hernia enigszins kreupel was en aan huis gebonden.  De dagen waren treurig en eenzaam en ik was blij verrast toen op een middag een mooie roodharige jongejuffrouw aanbelde.  Ik deed open en nam de situatie snel op.  Achter haar stond een klein corpulent vrouwtje van een jaar of 50.  Beiden hadden bijbels in de hand.

De jongere dame was, net als ik, achter in de 20 en ze was bloedmooi. Ze had heldere groenblauwe kijkers.  Het haar was lichtrood en reikte tot halverwege de rug.  Ik tuurde enige momenten naar waar het haar uit de hoofdhuid kwam en verwittigde mij ervan dat dit rood een natuurlijk rood was.  Veel roodharigen hebben sproeten.  Edoch, met haar was dit niet het geval.  Haar huid was gaaf en had een hele gezonde blos.  Dit was nog eens wat anders dan al die academische troela’s met vet soepsliertjeshaar die avond na avond, lurkend aan de wijn, de port en de sherry, de rol van de vrouw in de maatschappij bespreken en daar wallen onder hun waterige oogjes van oplopen.

Ik liet het tweetal in mijn huiskamer plaatsnemen.  De roodharige liefdesdroom trok op kuise wijze haar rok over haar knieen en stelde zich voor als “Betty.”  Ze keek me heel vreemd aan toen ik vroeg “Is it OK if I call you Elizabeth?”  Nadat ik hen verteld had dat ik niet aan God geloofde gaf de oudere dame, die zich als “Amy” had voorgesteld, me een opengeslagen pamfletje in handen.  Op de opengeslagen pagina prijkte een tekening van een auto die tegen een boom was aangereden en volledig in de prak lag.  ”Zo’n auto repareert zichzelf toch niet!?!?” oreerde Amy, “Zo’n auto roest daar alleen maar verder.”  De essentie van haar betoog was dat mensen, dieren, bomen en planten nooit uit zichzelf hebben kunnen ontstaan.  Aan zichzelf overgelaten zou de boel alleen maar verroesten, verrotten en uit elkaar vallen. Elk gezond boerenverstand kon zodoende begrijpen dat de evolutietheorie onzin was.  Daarna hief ze haar bijbel op en meldde me dat “wetenschappers” inmiddels hadden bevestigd dat er vroeger een baldakijn van waterdamp boven de aarde dreef en dat dat water naar beneden was gekomen met de regens die de “zondvloed” veroorzaakten.

Dat van dat waterdampbaldakijn, daar ben ik verder maar niet op ingegaan. Wel ben ik het later nog eens gaan nazoeken en het bleek dat een zekere Isaac Newton Vail (z’n ouders moeten bij z’n geboorte hoge wetenschappelijke verwachtingen hebben gekoesterd) in 1874 een dergelijke “theorie” had geformuleerd.  Echt grondig en kwantitatief was die Vail niet geweest.  Als er voldoende water in de atmosfeer zou zitten om een vloeibare laag over de aarde te vormen van zo’n 9 km dik (je wilt tenslotte ook de Mount Everest geheel onderdompelen bij die zondvloed) dan zou de atmosferische druk op het aardoppervlak een onoverleefbare 900 atmosfeer hebben moeten zijn.  De betreffende berekening is zo eenvoudig dat ik ‘m in een onbedrukt hoekje van Amy’s pamfletje had kunnen maken.  Vails theorie bleek dus inderdaad alleen onder Jehova’s Getuigen te zijn aangeslagen.  In mijn gemoed welde op dat moment eigenlijk in eerste instantie de vraag op waar al dat water dan weer naartoe verdween na de zondvloed.  Maar ik stelde die vraag niet.  Ik negeerde het betoog van Amy en ik mijdde Amy’s blik.  In plaats daarvan keek ik diep in de groenblauwe kijkers van Elizabeth.  Ik kreeg een week gevoel en ik trachtte uit te vogelen wat ik diende te zeggen om indruk op haar te maken.

“The analogy between the evolution of species and the disintegrating car is based on a completely mistaken understanding of the Second Law of Thermodynamics!” zei ik op autoritaire toon.  Ik meende een klein vonkje in Elizabeths ogen te ontwaren en realiseerde me dat ‘t zaak was om mij het woord niet meer te laten ontnemen. Starend naar Elizabeth heb ik toen een minuut of tien lang de tweede hoofdwet van de thermodynamica zitten uitleggen.  Net toen ik op het punt stond om dissipatieve structuren te gaan behandelen en ‘t aan mijn gehoor te openbaren dat alle leven, mens & dier & plant, eigenlijk “dissipatieve structuur” was, interrupeerde Amy mij.  ”It just doesn’t make sense,” zei ze op aggressieve toon, “without God it just doesn’t make any sense!” Wederom negeerde ik haar. Ik stond op en liep naar m’n boekenkast.  Daar haalde ik een zwarte Doubleday pocket, “Order out of Chaos” van Ilya Prigogine, van de plank. Ik gaf het Elizabeth in handen nadat ik mijn naam en telefoonnummer op de eerste pagina had geschreven.  ”Hierin staat heel duidelijk beschreven en geillustreerd wat ik je net heb trachten uit te leggen.”  M’n benen begaven het bijna vanonder me van verliefdheid toen ze naar me opkeek met ingetogen blik en met wat ik aanvoelde als het begin van een glimlach.  ”Lees het en bel me volgende week of zo maar eens op.  Dan kunnen we er misschien wat verder over babbelen.”  Ze deed het in haar tasje en voor het eerst sedert ik m’n hernia had opgelopen kreeg ik weer een gevoel van hoop en verwachting.

Ik heb Elizabeth nooit teruggezien.  De week daarna kregen we de ergste hittegolf in de geschidenis van de staat Maine te verduren en toen de hittegolf op echt z’n ergst was stonden er op een gegeven moment op het heetst van de dag twee mannen in lange grijze regenjassen voor de deur. “Rechercheurs!” zo dacht ik in eerste instantie.  Maar dat bleek niet het geval.  Ze kwamen van de “Kingdom Hall.”   Eén van hen, “Jason” genaamd, had vier jaar lang aan de lokale universiteit gestudeerd.  Hij had zich daar gespecialiseerd in “Business” en in “Aardwetenschappen.”  ”A double major, he knows his stuff.” zo verhelderde mij de andere man terwijl Jason langzaam het zwarte Doubleday boek uit z’n zwarte tas haalde.  ”Godverdomme!!” zei ik een keer of vier keihard en in ‘t Nederlands.

Ik heb het boek die avond nog pagina voor pagina doorgenomen om te kijken of Elizabeth er misschien ergens een geheime boodschap in had gekrabbeld. Maar ook dat bleek niet het geval te zijn.

Je moet geregistreerd staan om te kunnen reageren.