Bios En De Uitroeiing Harer Dialecten
Geplaatst onder Verhalen op 1 december 2005 door Nargilah V.H.
Print

Drie miljard geleden was de wereld een soep. Een saaie soep. Zo saai dat een paar moleculen, grutjes RNA, zichzelf uit verveling begonnen te kopiëren.

Toen ook daar het nieuwe van af was, kreeg Bios het in haar kop een nieuw taaltje te ontwikkelen: het DNA-aas.
Eenvormig, efficiënt, imperialistisch. Met een schamel alfabet bestaande uit vier letters — A, T, G en C — is het DNA-aas nog steeds de voertaal van, nu ja, bijna alles. Al de zonen en dochters van Bios — wezels, kwezels, kwartels, ééncellige pantoffels, eikelbomen en elfenbanken — zijn zo opgevoed: ‘Spreek met vier letters, kind!’
Begin: aanzet voor de eerste aller taalstrijden
‘Opa, is het RNA-aas nu een dialect van het DNA-aas, of is het omgekeerd?’, vroeg ik. Net als hij was ik een C-A-C, doch ik behoorde tot de nieuwe generatie C-A-C-en: ik was een codon op een DNA-streng, hij op een stuk RNA.
‘Even wachten.’, antwoordde hij, druk in de weer met een vertalingsopdracht. Voor de zoveelste keer die dag kreeg hij een ribosoom voor z’n kop, onderging een histidine-sliert die zich ongevraagd aan zijn vingers klitte, gevolgd door een premature peptideketen — daarbij gorgelde hij, alsof hem een lintworm achter de kiezen werd geduwd —, en keek toe hoe zijn naaste buren C-A-T en C-C-C op hun beurt in de bek van het ribosoom verdwenen.
Tjonge, wat zag hij eruit! Zijn bejaarde pentose-kop stond zo scheef dat hij meer weghad van een oeloepipidum dan van een rechtmatige vijfhoek. Daarop stonden drie beschamend dorre plukjes haar — drie fosforische esters die hij van een zwijn leek gepikt te hebben — en hetgeen hij als zijn trots probeerde te beschouwen: zijn base-vingers, genaamd Cytosine, Adenine en Cytosine.
‘Nog wat leuks vertaald vandaag?’, vroeg ik, terwijl hij op adem kwam — drie miljard geleden was dat in onze contreien zowat de enige koetjes-en-kalfjes-vraag. Om eenvoudige redenen. Onze oceaan was behoorlijk saai, altijd even koud, even zout, even tijdloos als een miljoen jaar ervoor, er waren nog geen kwallen of promiscue zeepaardjes om over te roddelen en vulkanen, tja, wat viel daar nu over te vertellen?
‘Proteïnen, proteïnen—’, antwoordde hij suf. Met zijn vingers probeerde hij zijn verwaaide esters in een ordentelijker plooi te leggen.
‘Hmm, ah zo’, merkte ik op, ‘proteïnen dus. Euhm, enig idee welke? Ik heb gehoord dat er nieuwe—’
‘Proteïnen, proteïnen.’, herhaalde hij, terwijl z’n OH-oogjes dof voor zich uit staarden.
Zover was het blijkbaar gekomen: waar hij vroeger elke gelegenheid te baat nam om zijn aartsvijanden met alle zonden Israëls te overladen, inmiddels was hij gaar en viel bijna in slaap wanneer ze ter sprake kwamen.

***

Ooit vertelde hij: ‘Men had ons samengeroepen in een luxueus kuuroord. Ben je ooit in XYZ geweest, jongen?’
‘Nee’, antwoordde ik, ‘nooit geweest.’
‘Wel, XYZ ligt in de buurt van een vulkaan. Je hebt er warmwaterbronnen en geisers. Tja, en kraters natuurlijk.’
Van geisers had ik nog nooit gehoord, maar ze schenen verband te houden met vulkanen. Alles wat met vulkanen te maken had was saai, dus ik zweeg.
‘Wist je trouwens’, vervolgde hij, ‘dat jullie, DNA-ers, waarschijnlijk in een warmwaterbron zijn ontstaan?’
Waarschijnlijk?! ‘Waarschijnlijk?’, zei ik verbaasd. ‘Opa, euhm—even denken. Dat betekent dus dat jij, euhm— waarschijnlijk mijn opa bent?’
Hij fronste zijn koolstof-wenkbrauwen. ‘Nee, nee’, stelde hij me gerust, ‘ik ben je grootvader, dat staat vast. Maar, euhm— dat leg ik je later nog wel uit. Onthoud voorlopig dat ik je grootvader ben, okay?’ — die uitleg kwam er inderdaad, een paar jaar later. Ik begreep er niks van. In mijn woorden ging het argument ongeveer als volgt: omdat ik als C-A-C een kloon was van een andere C-A-C, en die op zijn beurt van nog een andere C-A-C, had het in feite weinig zin om over vaders en grootvaders te spreken. Tenzij het wel zin had. En daarom was mijn grootvader mijn grootvader.
‘Soit. Jullie zijn wellicht in een warmwaterbron ontstaan omdat wij, RNA-ers, niet goed tegen de warmte kunnen. Bon, door ons naar een warmwaterbron te lokken, stonden jullie in het voordeel, begrijp je? Na amper twee minuten waren wij gaar gekookt.’
Slim bekeken van ons, dacht ik trots . En tegelijkertijd merkte ik dat ik stiekem op hem neerkeek. Hoe dom van de RNA-ers om op onze uitnodiging in te gaan.
Opa vertelde voort. ‘Jullie leider T-T-T, zoals je weet de meest DNA-ische der DNA-ers, was tevens de voorzitter van de onderhandelingen. Afgrijselijk, een omhooggevallen snotaap die ons, Ouderlingen, de les kwam spellen.’ Terwijl hij dat zei, spitste hij zijn OH-carbonkels, zodanig dat hij op een kwaaie tijger leek. ‘En weet je wat ie zei?’.
‘Euhm— nee.’
‘Ik wel. Ik weet het nog precies. En euhm, jongen— ik wil dat jij zijn woorden ook onthoudt. Want later, op DNA-school, zal niemand je het vertellen. Ze zullen er je geschiedenis uitwissen, begrijp je?’
Nee, dat begreep ik niet. Als je naar school ging om dingen te vergeten, dan was je thuis beter af. Daar ging het vergeten immers vanzelf. Nee, scholen hadden een andere bedoeling, een bedoeling die mijn grootvader nooit had kunnen achterhalen — waarschijnlijk omdat hij maar tot zijn 5de op school had gezeten — een RNA-school, bovendien. Maar goed, ik gunde hem zijn oubollige opvattingen. ‘Euhm— tja, zal wel.’, antwoordde ik.
‘Als je je geschiedenis kent, heb je de middelen in handen om te voorkomen dat ze zich herhaalt.’
Ik snapte waar hij naartoe wilde, maar niet waarom. Men moest voorkomen dat de geschiedenis zich zou herhalen, daar leken alle Ouderlingen het over eens. Anderzijds, toen zij jong waren, kopieerden ze zichzelf, zonder er ook maar enig probleem rond te maken. Wat was het verschil? Trouwens, mocht de geschiedenis zich herhalen, dan zouden we over een miljoen jaar misschien weer een RNA-tijd meemaken, en dat was toch net wat hij wilde? Maar goed, ik liet begaan.
‘Wel’, ging hij verder, ‘zonder op een papiertje te hoeven kijken, sprak T-T-T ons droogjes toe. Hij had een lompe stem: «Beste overblijfselen van de RNA-wereld, het RNA-aas is beslist een sympathiek taaltje.» — gegniffel onder het DNA-publiek — «Maar: onze alfabetten zullen niet langer op gelijke voet worden behandeld. Uit overwegingen van efficiëntie en eenvormigheid, zal in officiële én officieuze aangelegenheden nog enkel de nieuwe spelling gelden. Deze is opgesteld door onze taalspecialisten. In hun goedhartigheid» — instemmend DNA-applaus — «hebben zij besloten dat 75% van jullie alfabet bewaard mag blijven. Concreet: de letters A, C, en G blijven behouden; de letter U wordt onherroepelijk vervangen door de letter T. Uracil behoort tot het verleden, Thymine is de toekomst. Dank voor jullie medewerking.»’ Aan zijn gezicht viel te merken dat opa het er nog steeds moeilijk mee had. Hij joeg zich op: ‘Dat zei hij, die triple-T van jullie, begrijp je!?, op een toon alsof hij euhm, tja, de tabel van, euhm, Mendelejev voorlas, begrijp je!? Verschrikkelijk, verschrikkelijk—’
Tja, ik begreep dat T-T-T’s retorische kwaliteiten te wensen overlieten, maar dat was niks om je enkele miljoenen jaren nog druk over te maken. Afgezien daarvan leek T-T-T’s boodschap best schappelijk. Wie kan er nu tegen efficiëntie en eenvormigheid zijn? ‘En, euhm— hoe hebben jullie gereageerd?’, vroeg ik.
‘Hrah!, tja, Hrah!, behalve U-U-U zat iedereen aan het eind van z’n Latijn. Hrah! Zo warm. Hrah! Heet! Heet! Onbeschrijfelijk heet. En dan die sulfur-dampen. Stinken! Stinken! En borrelen. Lawaai! Om zot van te worden!’
‘U-U-U?’
‘Onze leider.’
‘Okay. Wat zei ie dan, die U-U-U?’
‘Hrah! Hetgeen wij allemaal dachten: De pot op! Geen denken aan! Foert! Kus onze kloten!’
‘En toen?’
‘Hoe en toen? Weglopen, natuurlijk!’
Ik had bewust m’n lastigste vraag tot het einde bewaard. ‘Euhm— Opa?’, vroeg ik. ‘Als C-A-C had je toch geen last van de nieuwe spelling. Waarom was je zo koppig?’
Daarop kreeg ik een koleirige klets voor m’n kop. ‘Verdomme, pisrat!’, riep hij briesend. ‘Verdwijn, dwazekloot, verdwijn!’

Nargilah V.H.

Je moet geregistreerd staan om te kunnen reageren.