Ik heb een regenworm in mijn mond. Ik kauw erop en slik hem door. Ik zoek er nog eentje. Ik weet nog precies hoe mijn eerste worm smaakte. Ik zat in het pas gemaaide gras met dikke beentjes, tenminste ik vind ze dik vergeleken bij die van mijn zus, als ik nu naar de foto’s kijk. Ik ben een dik mormel met een babyhoedje op. Logisch, ik was ook een baby. Zij stak de worm in mijn mond, met een knipoog. En ik kauwde er glimlachend op. Hij smaakte me uitstekend. Er zaten zandkorrels in en verder was hij lang niet zo zacht als je zou denken. Mijn zus was opgesprongen en naar de schommels gerend. Ze was staande aan het schommelen. ‘Kijk eens hoe hoog ik kan!’ schreeuwde ze naar mij. ‘Kijk eens hoe hoog!’ En ik kauwde en kwijlde en keek bewonderend naar haar op. Ze ging bijna horizontaal met dat ding. Mijn zus wil altijd hoger.

‘Nog hoger!’ Je ogen worden groter dan mijn mond en de pupillen draaien achter in de kassen tilt, terwijl ik de tourniquette met mijn tanden nog hoger aantrek en onverbiddelijk als een engel gods in je afdaal, wegzak in een van je prachtige aders die als dunne blauwe takjes onder het ijs van je koudwatervuurhuid groeien. Ik ben die naald. Een trekje aan de zuiger en je dikke bloed bloesemt onder in de spuit. Even drukken en ik duw mijn duurbetaalde liefde voor jou je bloedbaan in. Mijn zus de junkie. ‘Oh lieve hypodermische naaldvis, broertje van me, ik heb jouw zuigertje zo nodig! Ik hou van je, ik hou van je,’ zucht je. Zweetdruppeltjes vormen zich op je prachtige voorhoofd, en ik lik ze eraf. Ik die regenwormen eet ging langs bij mijn zus in de stad, en ik bleef aan je hangen. Kippenvel op de huid op mijn onderarmen, open je mond meisje en laat me staren in dat roze gat, die holte die zich vult met vallende sterren, iedere keer dat je lacht onder het knipperende licht van de tl-balk, je hoofd rustend in de holte van mijn linkerarm. Ja, ik weet waar het allemaal heen gaat, lieve zus, mijn regenwormensap gaat in je kopje, jouw kopje duisternis dat eigenlijk een vuistgrote miniatuurreproductie van de zee bij nacht is en zo ruikt de ingang ook. Ik drink ervan en ik zuig aan je, en er is iets dat uit je tepels komt en in mijn mond naar soldeerhars smaakt, hoewel er geen vloeistof uit je komt. Oh, ik zuig graag aan jou, zus, aan je spookachtige harsmelk en ik knabbel op je zeegang, de poort naar je zee die altijd nog hoger kan, op jouw bed dat je wel eens mag verschonen. Nee, het mag niet hè, het kan niet wat wij doen, maar bij god het voelt zo goed. En wat zijn wij nou helemaal? Twee crematietubes op drift in de wegtikkende tijd, met stokarmpjes en stokbeentjes, vol met blauwe en rode rondjes, alsof we darts spelen met onszelf als doelwit. En wij gooien zo verdomde vaak raak, hè zus.
Ah en ja en we gaan ook uit, en we hebben plezier natuurlijk. We zien bandjes en we zien mensen. We zijn mooi, een beetje mager misschien, maar wel een prachtig stel. ‘Jullie lijken wel broer en zus!’ We dollen graag in supermarkten, jij zit dan in een winkelwagentje en ik pak een pak meel, want we gaan pannenkoeken eten, en eieren, maar jij slaat ze stuk op je hoofd en keert het pak meel om, over je lange haren en je dunne lijf in je dunne jasje. ‘Kijk eens hoe hoog!’ Een oude man wordt wit om zijn neus en kijkt alsof hij een geest ziet, dus ik vraag hem: ‘Denkt u dat u een geestverschijning ziet?’ En hij zegt nee, maar dit is precies wat de Duitsers deden met mijn zuster voordat ze ons wegvoerden naar de dodenkampen. Daar weet ik weinig op te zeggen, dus ik pak een blik kersen op sap van het schap, open het en keer dat om boven op jouw hoofd, zodat je niet alleen een witte geest bent, maar ook nog eens eentje met bloedrode strepen en kersen in je natte schoot. En zo rijden we de supermarktpaden rond, ik giechelend en jij woest schreeuwend van plezier, als een boze bloedgeest. Natuurlijk krijgen we een dame van de veiligheidsdienst achter ons aan. Ik help je uit de kar en we rennen naar buiten. Je roept nog ’sieg heil’ naar de oude man, die in de rij voor de kassa staat, trut die je bent. Maar ze laten ons gaan. Ze weten dat we toch nooit geld bij ons hebben.

‘Nog hoger!’ Ik kijk je aan met grote twijfelogen, ik die zelfs wormen uit jouw hand eet, maar ik weet dit niet zeker. Maar jij weet het wel. Het is kerst en jij wilt als kerstcadeau een dubbele portie bruin op de smeltlepel. En ik weet dat als ik het niet doe, jij het zelf doet, zonder dat ik erbij ben. Dus ik doe het voor jou, mijn lieve zus. En het gaat goed. Je moet wel eerst een uur brabbelen en kwijlen, met je ogen achter in je kassen, terwijl ik in paniek en vruchteloos rondbel, maar dan ben je er weer. En hoe. Het lijkt alsof je de totale levensenergie van het komende jaar in je lichaam verzameld hebt. We gaan uit en je ziet er verwoestend goed uit. Ik doe het ook niet slecht, met mijn porties wit. We gaan naar een uitverkocht concert en jij lult ons naar binnen. Tegen het einde van het optreden werk je je langs de beveiliging het podium op, je zoent de verbouwereerde zanger op zijn mond en je klimt in een lichtmast. Het publiek volgt je en de bandleden volgen je, terwijl ze verder spelen. ‘Kijk eens hoe hoog!’ Omdat alle lichten en het geluid tegelijk uitgaan, merkt niet iedereen dat je met een klap op het podium terugvalt. De band wel. Je haalt er de nationale kranten mee. Iets waar je schamper om zou lachen.
Je was meteen dood. Reanimatie werkte niet. Je wilde gecremeerd worden. Je had een hekel aan gras. Maar je had niets laten vastleggen. Papa sleurde mij terug naar ons dorp, en liet jouw lichaam daar begraven. Je bent nu een jaar dood, en ik sta bij je graf. Het gras eromheen is netjes gemaaid en nat. Het stikt er van de regenwormen. Ik heb er eentje in mijn mond gestoken. Ik denk aan alle wormen die in jouw mond rondgewroet hebben, tussen je tanden, die nu nooit meer vallende sterren zullen zijn. Ik kauw mijn worm fijn en slik hem door. Ik pak er nog een.
Sam Gerrits