Nachtvlindertong
Geplaatst onder Verhalen op 1 oktober 2005 door Sam Gerrits
Print

Het ging niet meer. Ik merkte dat ik bang van je werd. Het moment waarop je begon te veranderen weet ik nog precies. Ik hield van je geur en rook graag aan je kleren, voordat ik ze in de was deed. Op een zonnige middag vroeg in de lente, een jaar of anderhalf geleden, rook ik iets onbekends in je shirt. Het was me eerst niet helemaal duidelijk wat het was, iets dat deed denken aan aarde en paddestoelen. Niet onaangenaam. Maar vanaf toen begon je lichaam langzaam te verpoppen. Het luchtje werd met de dag sterker en op een dag rook ik aan je trui en ik trok een vies gezicht. Ik heb een tijdje in de garderobe van een theater gewerkt. Wat ik rook, was de geur van herenjasjes op een drukkende zomeravond. Oud zweet en testosteron. Vanaf dat moment was je geen kind meer. Maar er was ook iets anders. Iets… Ik kan het nog steeds niet helemaal thuisbrengen.

Bij je geboorte rook je heerlijk. Zoals alle pasgeboren baby’s ruiken. Daarom heb ik je ook nooit weg willen doen. De dokter had blijkbaar niet goed naar de scans gekeken. Niemand was verbaasder dan zij, toen je blind en mismaakt uit mij gleed. Je voorhoofd was paars, geribbeld en groot. Het stak vooruit, alsof je je flink gestoten had in mijn baarmoeder. Je oogjes waren te klein, en er lag een wit waas over. ‘Dat is normaal, dat gebeurt soms bij pasgeboren baby’s,’ zo verzekerde de verlossende arts me. Dat voorhoofd kwam door de verlossing en zou wel weer bijtrekken, zei ze. Maar het waas in je ogen ging niet weg, en je voorhoofd ook niet. Het was een soort elefantiasis, vertelde een oude droevige dokter mij later die dag. Maar ik huilde niet. Want jij was mijn zoon de halfolifant en toen jij de wereld binnenkwam huilde jij ook niet. Maar je ademde wel. En het leek wel of je glimlachte…

Je vader keek het een week aan, en begon daarna over adoptie. Maar toen was ik al aan je verslaafd. Aan je geluidjes en aan je geur. Ik moest kiezen, zei hij. Ik koos jouw geur. En hij nam een baan in het buitenland en heeft nog nooit een cent voor jou, zijn zoon, betaald. In de maanden die volgden, waarin ik de eindjes zo goed en zo kwaad als dat ging aan elkaar knoopte en aan een opleiding begon om je fatsoenlijk te kunnen onderhouden, bleek dat je naast blind ook slechthorend was en dat je een zware geestelijke handicap had. Je zou nooit verder komen dan het niveau van een tweejarige. Praten met je lukt niet echt, met je 20% gehoor . De enige klanken die je kent, zijn mama, grrrpffrt, en haaaahhhmmm.


Maar je was lief. Je kraaide veel in je box. Je speelde zoet kwijlend over je speeltjes en je rook heerlijk. Je maakte mama gelukkig. Daarom bleef ze al die jaren voor je zorgen. Jaren waarin ze afstudeerde en later zelfs promoveerde. Want mama was slim, zo bleek. Mama is nu biologe en wetenschappelijk redactrice bij een groot tijdschrift. Ze wilde eigenlijk alles over ontwikkelingsstoornissen weten, maar tijdens een literatuuronderzoek naar elefantiasis nam ze per ongeluk een boek over olifanten in de stapel mee. Dat boek, getiteld ‘An introduction to elephants’ nam ze mee naar bed, en die nacht las ze het in een adem uit. Mama weet nu bijna alles over olifanten. Je kinderkamer stond vol met olifantenknuffels en naast de computer op mama’s bureau staat een beeldje van Ganesha, de olifantgod. Maar dat weet jij niet hè? Nee, want dat kan je niet zien. Je mag ook niet bij mama’s bureau komen, want daar liggen stapeltjes werk en breekbare voorwerpen. Maar verder mag je overal komen, hè schat? Je vindt het heerlijk om door ons huis te struinen en aan de muren te kluiven. Je vaste traject is gemakkelijk te herkennen. De ingesleten sporen in het zeil, de kaalgekloven plekken in de verf op de muur… En zo heb je je ook een weg in mijn hart gekloven en geschuurd. Die plekken gaan er nooit meer uit.

We waren best gelukkig samen, maar de komst van meneer testosteron veranderde alles. Je werd onberekenbaar. Borden vol met eten begonnen het luchtruim te kiezen. Regelmatig pal langs mijn hoofd en soms ertegenaan. Je kreeg woedeaanvallen, waarin je me tot bloedens toe beet en krabde. En die aanvallen werden steeds frequenter. Je begon je kleren van je lijf te rukken… En dat afschuwelijke gebonk met je hoofd. Dat was nog het ergste. Tegen de muren, tegen de ramen… Alsof je er dwars doorheen wilde breken. Ik hou van je, god weet dat het waar is, en jij ook. Maar je was niet meer te handhaven. Ik hield vol, tot die avond dat ik je meer dood dan levend in een poel van je eigen bloed aantrof, naakt, je kleren aan flarden. Je was dwars door het dubbelglas heen gebroken, met je hamerhoofd. Die avond ging er bij mij een knop om. Ik was enorm opgelucht toen bleek dat je vrijwel meteen geplaatst kon worden, hier. Maar toen de deur achter je dichtsloeg vorige week, sneed het als een mes door mama’s hart. Ze liep met lood in haar schoenen naar de auto en heeft de hele weg naar huis gehuild. Maar het is beter zo, voor ons allebei. Ik kan niet en werken en constant op je letten. En je vastbinden wil ik niet.

Ik parkeer in hetzelfde vak als vorige keer en zoek je favoriete speeltje op de achterbank, je gummi bijtring. Ik vond hem gisteren onder de kast bij het schoonmaken. Ik heb je begeleiders iedere dag gebeld, of het goed ging met je. Ze zeiden van wel. Ik hoop dat je niet al te zeer boos bent op mama, dat ze je weg heeft gedaan, lieverd. Ik stap uit en ril lichtjes. De avonden worden koud. Het gebouw waar je nu woont, baadt in geel licht en schijnt me tegemoet, tussen de bomen. Het ziet er rustgevend uit, maar ik vind al dat licht wel vreemd, voor een blindentehuis. Ik loop over het lange tegelpad naar de voordeur en bel aan. Over de ruit boven de deur lopen een paar motten. Populierenbrandvlekvlinders volgens mij. Pheosia tremula. Deze huizen in de bossen fungeren als insectenmagneten. Een meisje van een jaar of twintig, in sportoutfit met twee vlechtjes, doet open. Er zit wat op haar sweater. Papresten, denk ik. Ik ruik bambix. ‘Oh, u bent wel laat zeg, de bezoektijd is bijna voorbij.’ Ik leg uit dat ik niet eerder kon komen, ik moest vandaag bij de promotie van een jongen die ik de afgelopen vier jaar begeleid heb aanwezig zijn. ‘Mijn excuses voor het late uur, ik wil eigenlijk alleen even kijken hoe het met mijn zoon gaat.’ ‘Hij slaapt al,’ zegt ze. ‘Om deze tijd? Dat lijkt me onwaarschijnlijk?’ ‘Nee hoor, hij is de laatste dagen echt enorm slaperig en dan wil hij vroeg naar bed.’ ‘Is dat zo? Typisch.’ Ik krijg een raar gevoel in mijn buik. ‘Maar goed, laten we toch maar even gaan kijken?’ stel ik voor.

Ze knikt en gaat me voor, door lange geelgesausde gangen met rijen blauwe deuren. Bij elke deur hangt een vrolijk bordje, met een plaatje van een clown, een Disney-figuur of een teddybeer. Op de bordjes staan de namen van de kinderen die in de kamers slapen. Kinderen die die plaatjes nooit zullen zien, laat staan het bordje lezen. We gaan een trap op. Jij ligt aan het einde van de gang boven. Op jouw bordje staat Dombo, het vliegende olifantje. Ik wil er commentaar op leveren, maar ik hou me in. Het meisje pakt haar sleutelbos. ‘Jullie sluiten hem op?’ ‘Nou, opsluiten, we geven hem grenzen aan, anders loopt hij de hele nacht door de gang.’ Het kind draait de sleutel langzaam om in het slot en doet voorzichtig de deur open. En slaat vervolgens haar hand voor haar mond. ‘Oh mijn god…’ Niet alles is even zichtbaar, in het halfdonker van je kamer, maar dat het mis is, is duidelijk. Er is een flink gat in de ruit geslagen. Overal liggen glasscherven en het zeil zit vol met donkere spetters. Bloed. En jij, mijn zoon, jij ligt moedernaakt op je bed. De wond in je voorhoofd drupt nog na, en er zit een glinsterend stuk glas in. Maar het is niet zo heel erg, deze keer. Je ligt kalm achterover, op de met bloed bevlekte lakens en je stukgescheurde pyjama, steunend op je ellebogen. Om je lippen speelt een glimlach en je knippert druk met je ogen. Je opalen pupillen zijn in extase naar boven gekeerd, terwijl je ‘haaaahhhmmm’ mompelt en kwijlt. En over je lichaam lopen nachtvlinders. Tientallen.

Het is te donker om goed te zien, maar ik geloof dat ik de tekening van verschillende soorten uilen en spanners zie. Ik herken de Xanthorhoe fluctuata. Maar het zijn vooral Roestjes. De roestbruine Scoliopteryx libatrix is overal. Motten vliegen af en aan door de gebroken ruit, zonder dat er een duidelijke lichtbron is. De diertjes landen klapperend met hun vleugeltjes op je lijf en tasten met hun veerachtige voelsprieten langs je huid. Er lopen insecten achter je oren langs, ze voelen aan je hals en kruipen in de holte van je ellebogen. Maar de meeste verzamelen zich in je kruis. Er lopen er daar zoveel, dat zelfs je schaamhaar bedekt is. Uit de insecten schieten lange tongen. Ze likken aan de zouten op je huid. En ik ruik het weer. Die geur. Die andere geur, naast de testosteron, die ik niet kan plaatsen. Sterker dan ik hem ooit geroken heb. Het is… het lijkt wel honing? Vlechtjesmeisje mompelt iets als ‘nou dit is wel mooi geweest zo’. Ze wil naar je toe lopen om de motten te verjagen, maar ik grijp haar stevig bij haar pols. Ze kijkt me verbaasd aan. ‘Hé zeg! Laat los!’ Maar ik blijf haar vasthouden en sis: ‘Luister eens, dit is mijn zoon en dit is misschien wel zijn gelukkigste moment op deze aarde. Wie ben jij om hem dat te ontnemen?’ Ze kijkt me onbegrijpend aan en wil een professionaliteitspraatje houden, maar ik steek een vinger op en hou hem voor mijn lippen. ‘Geen woord, hoor je me?’

Ze kijkt me verongelijkt aan en haalt haar schouders op. Ze trekt zich los en loopt weg. Ik blijf in de deuropenening staan en staar naar je. Ik krijg een warm gevoel in mijn buik, dat zich uitspreidt over mijn hele lichaam. Dat bonken tegen de ramen, dat uittrekken van je kleren, die zoete geur… Alles klopt. Je bent mijn zoon en je bent een kunstenaar. En alsof je weet dat ik er ben, mompel je ‘haaahhhmmm, mama’. En nadat je mijn naam genoemd hebt, word je rustig. Het knipperen met je ogen stopt. Je zakt langzaam achterover en ze vallen dicht. Als je in slaap gevallen bent, blijven de motten nog even rondlopen. De Roestjes blijven het langst. Ik veeg ze weg, kniel bij je bed en trek voorzichtig het stukje glas uit het berglandschap van je voorhoofd. Je wordt niet wakker. Ik kus je baardloze wang, vind wat lakens in een kast en leg ze over je heen. Ik sluit de deur zachtjes en ga vlechtjes zoeken. Ze is nergens te vinden. Onderweg naar huis verzin ik de tekst voor een lange brief, die ik aan je tehuis ga schrijven. Als ik mijn straat indraai, herinner ik me ineens iets met vlinders, uit ‘An introduction to elephants’. Thuis pak ik het boek. Ik heb het nooit teruggebracht. Uiteindelijk heb ik een nieuwe voor de bieb gekocht. Ik vind het onder hoofdstuk vijftien: Puberteit en seksualiteit.

Musth - Gedrag dat bij bullen gekenmerkt wordt door een hoog testosterongehalte, waarin zij zeer agressief en ook sexueel actief zijn. De klierafscheiding aan de slapen van jonge mannetjesolifanten in musth heeft een honingachtige geur. ‘Musth’ is afgeleid van het Urdu-woord ‘mast’, dronken. Volgens wetenschappers is de honingachtige geur vooral een teken van jeugdig en vreemd gedrag en niet van serieuze concurrentie jegens oudere bullen. De klierafscheiding van volwassen bullen stinkt veel meer. Onder olifanten wordt er tussen de twee soorten afscheiding onderscheid gemaakt, hetgeen de harmonie tussen de rivaliserende generaties bevordert. Onderzoekers citeren oude hindoegedichten waarin gerept wordt over de komst van vlinders, die zich te goed doen aan de zoete afscheiding uit de slaapklieren van de jonge olifanten. Tot nu toe is niet bekend of mensen ook een dergelijke geur van jeugdige bevlogenheid uitscheiden.

Over mijn wang loopt een traan, terwijl ik het lees. In een opwelling sta ik op, om naar de vlinderboom in mijn tuin te lopen. Soms zitten daar nachtvlinders op. De schuurdeur in de tuin is  precies tegenover de keukendeur. Boven die deur hangt een lamp met een infraroodsensor. Als ik de naar buiten stap, floept het licht aan. In de weerspiegeling van de schuurdeur zie ik mijn lichaam, dat overdekt wordt door een reusachtige vlinderschaduw. De wuivende vleugels lijken me te willen omhelzen. De illusie wordt veroorzaakt door een fladderende mot, die in de buitenlamp gevangen is. Ik pak een stoel uit de keuken en schroef het ding open. Het diertje kruipt uit de plexiglas huls en landt op mijn hand. Het is een Roestje. De lange tong schiet uit en het insect likt aan het zout op mijn huid. Daarna fladdert hij weg.

Sam Gerrits

Je moet geregistreerd staan om te kunnen reageren.