Veenmos
Geplaatst onder Verhalen op 1 september 2005 door Sam Gerrits
Print

Ze houdt van me. Ik weet het zeker. De eerste keer zag ik het staan op de betonnen pilaar van een viaduct. Ik zat in de trein en at een appel. Denkend aan jou. Jij met je sterrenogen, jou die ik kwijt ben geraakt door mijn onhandigheid. Het hangt allemaal samen met die ene rode roos. Ik gaf hem aan jou, en je nam hem aan. Maar aan het einde van de avond gaf je hem weer aan me terug. Je zei dat ik een dierbare vriend was, en dat je wel iets voelde, maar dat je het allemaal nog niet zo wist. Dat je tijd nodig had, om na te denken. Dus ik dacht, wacht even, daar weet ik wel iets op. Ik stuurde je in de maand die erop volgde iedere dag twee bossen bloemen. Als jij naar je werk ging ’s morgens lag ik voor je deur met gedichten, en ’s avonds zong ik serenades onder je raam. Je zei niets, maar je ergernis groeide. En ik had niets door. Tot het te laat was. Mijn niet aflatende bombardement van liefdesbetuigingen heeft je op de vlucht gejaagd. En nu wil je me niet eens meer zien. Je vindt me eng, denk ik? Je nieuwe vriend wees me in ieder geval nogal hardhandig naar het einde van het tuinpad, toen ik langs wilde komen, laatst. Ach, ik wilde alleen maar zeggen dat ik… Dat ik een dwaas ben, denk ik. En dat ik je mis. Het zal wel karma zijn? Weet je, ik raak niet snel echt verliefd, maar als ik het ben, is het moeilijk in toom te houden. Te groot hart? Die roos die je me teruggaf, heb ik nog altijd. Hij ligt op de schoonsteenmantel, gemummificeerd in zijn originele cellofaan.

Affijn, zij dus. Ze is anders dan jij. Ik weet niet of je haar zou mogen. Of misschien ook wel. Hou je van de geur van aarde? Hou je van veen? Van die vochtige, rijke geur? Allemaal dingen die ik niet van je weet. En die ik best zou willen weten. We hebben elkaar op een vreemde manier ontmoet. Een manier die je wel bij me zou vinden passen, denk ik. Het ging zo: Ik wilde die roos van ons, samen met mijn gevoelens voor jou, begraven onder het platje in mijn achtertuin. Zo diep als dat kon. Dus ik kocht een spade, lichtte een paar tegels achter en schepte het zand weg. Onder dat zand ligt hoogveen. Je weet dat ik verhuisd ben naar het oosten des lands, hè? Nee, niet vanwege jou. Ik heb er een best aardige baan gevonden. Maar goed, er ligt veen in mijn achtertuin. En ik wilde een echt gat maken. Veen is best zacht materiaal. Het was een droge zomer, en ik had al een kuil van een meter diep of meer gegraven, toen mijn schep stuitte op iets dat niet meegaf. Ik zag een kaak, of iets dat leek op een kaak, verschrompeld, met bruine tandjes erin. Het waren haar tanden. De rest van die middag ben ik bezig geweest met haar lichaam voorzichtig vrijmaken uit de plantenresten. Ze was maar een klein meisje. Haar huid was zwart en ze lag in foetushouding, met haar offergaven nog om haar heen. Een paar mooi geslepen vuurstenen en wat aardewerken schaaltjes, waar denk ik voedsel in zat. Ze heeft een mouwloze jurk aan, van gelooid leer. Of ik denk eigenlijk een soort schapenhuid, er zaten nog haren op. En ze had een barnstenen ketting om haar hals en ze heeft prachtige lange rode haren. Het schijnt dat je haren ook na je dood doorgroeien en het lijkt erop dat dat best lang geweest is, bij haar. De rode kleur van het haar komt door ijzerroest dat door het veen sijpelt. De roestkleur kan in het haar dringen omdat het ijzer niet neerslaat. Zolang er geen zuurstof bij komt tenminste. Dat zuurstofloze is ook de reden dat haar lichaam zo mooi bewaard is gebleven. Ze is perfect.
Afgezien van de rimpels in haar huid dan, en haar ogen die leeg zijn. Haar botten zijn weg. Van binnenuit weggesmolten. Ja, dat werkt zo met veenlijken. Ik heb het op het internet opgezocht. Maar je kunt nog wel zien waar ze geslagen is. Haar borst is ingedeukt links, alsof alle ribben daar gebroken zijn.

Ik was dolenthousiast over mijn vondst, en belde meteen het veenmuseum, toen ik haar vrij had. Maar de receptioniste nam nogal ongeïnteresseerd op en ik bedacht me ineens dat mijn nieuwe vriendin wel wat gezelschap kon gebruiken op dat moment, in plaats van in een glazen vitrine te zitten. Ik kon in ieder geval zelf wel wat volk om me heen gebruiken. Ik werk hard en ken hier weinig mensen. Dus ik hing op zonder iets te zeggen en tilde haar voorzichtig uit haar kuil. Ik liep met haar naar de kelder. Ze moest in een donkere, vochtige omgeving blijven, had ik bedacht. Ik legde haar op een zak aardappelen, maar dat voelde niet goed. Uiteindelijk heb ik mijn troonstoel, je weet wel, die enorme leunstoel waarvan ik het houtwerk goud gespoten heb, en de zittingen met rood velours heb laten bekleden? Daar heb jij nog in gezeten… Nou, die stoel dus heb ik naar de kelder gesleept en ik heb haar erin neergepoot. Ik had ook een mooi setje paarse, met bont gevoerde pantoffels, die ik ooit gekocht heb voor als er een vrouw in mijn leven zou verschijnen. Die pantoffels heb ik haar voorzichtig aangetrokken. Ze waren haar veels te groot. De aardewerken potjes en de vuurstenen heb ik bij haar op de stoel gelegd, zodat ze zich thuis zou voelen. Haar barnstenen waren dof en wit uitgeslagen, dus ik heb ze opgepoetst. En daar zat ze dan, lekker ineengedoken te cocoonen op haar troon. Ze was wel blij met haar nieuwe stekje, volgens mij.

Het veensap uit haar lichaam lekte door in de zitting, maar ik vond tanninevlekken in mijn stoel een stuk minder erg dan twee- of drieduizend jaar lang in de kilte onder de grond vastgebonden liggen, in een voormalig stuk moeras, omdat je ouders het ooit goedvonden dat jij maar geofferd moest worden, voor een betere oogst of zoiets doms. Het meiske had ook allemaal touwresten om haar lijf. Dat had ik eerst niet goed gezien. Dus ik heb haar diezelfde avond nog op die aardappelzak teruggezet en heel voorzichtig, om haar niet te beschadigen, de resten touw van haar af gepulkt. Daar was ik de avond zoet mee. Maar toen was ze ook helemaal vrij en kon ik haar lekker terug op haar troon zetten, met haar ketting om. Daarna had ik wel zin in een warme kop thee, en ik zette er ook een voor haar. Ik bracht haar de thee op een dienblaadje, met een koekje erbij. Ik zette het voor haar neer en heette haar officieel welkom in mijn huis. Ik sjorde de aardappelzak over de keldervloer, tot voor de troon en ging erop zitten. Ik dronk mijn thee en vertelde haar wat over mezelf, over hoe ik in haar buurtje was beland. Ik vertelde ook over jou. Nou moet je niet denken dat ik tegen iedereen maar over jou raak klets, als een kip zonder kop, want dat is echt allang niet meer zo. Maar diep in mijn hart zit een plekje waar jij nooit weg bent gegaan, en zij was zo stil, zo begrijpend dat ik als vanzelf over je begon…

Ik had het gevoel dat ze echt luisterde, al werd haar thee dan koud en at ze het koekje niet op. Het was al twee uur ’s morgens toen ik naar bed ging. Gelukkig was het de volgende dag op het werk rustig. Ik keek een beetje uit het raam en snelde die middag naar huis, bang dat ik haar alleen maar gedroomd had. Maar ze zat daar nog steeds, knus in mijn kelder. Ik zette een kop thee voor ons en ging weer bij haar zitten. Ik vroeg haar zachtjes hoe het haar allemaal was vergaan, de laatste paar duizend jaar. Het is niet zo dat ik de antwoorden zelf allemaal invulde. Ik staarde gewoon naar haar mooie rimpelgezichtje en vroeg me kalm dingen af als: ‘Hoe voelt dat nou, om zo lang gelooid te worden door veenvocht? Hoe is dat, om zo lang stil in een veenplas te liggen?’ En op een gegeven moment begonnen de tranen me over de wangen te lopen. Want ze zei tegen me, of ik realiseerde me, dat dat echt heel erg alleen voelt. Zeker als je pas zeventien bent. Dat je al die tijd ligt te hopen dat er iemand komt, die je losmaakt. Die je overeind helpt en je iets warms te drinken geeft. En dat drieduizend jaar dan best lang wachten is… En dat ze haar pop miste, zei ze. Daar kon ik iets aan doen. Het was nog licht buiten. Ik dook het gat weer in en begon omzichtig om haar plek heen te graven. Maar daar was niets meer te vinden. Ik kreeg een ingeving en keek in de berg veen die naast de kuil lag. Ik vond een paar aan elkaar geknoopte stokjes, die ik eerder had weggegooid. Er zat wat zwarte, halfvergane stof omheen. Ik legde de stokjes bij haar neer, in haar troonstoel, maar het zag er wat armetierig uit. Ik bedacht iets beters. Ik vond een mooie beige zwachtel in mijn verbanddoos, en die wikkelde ik om de veenstokjes heen, tot de pop een lijfje met armen en een hoofd had, als een mummie. De ingezwachtelde pop legde ik in haar samengetrokken armen. Ze was er blij mee.

Die avond, en de avonden daarna, zat ik aan haar voeten op mijn aardappelzak, en we praatten. Of ‘praatten’, ik was vaak gewoon stil en ik keek naar haar lieve gezicht. Er ging van alles door mij heen, dan. Ik voelde de stilte in het moeras voor een regenstorm, in mijn huid. Ik hoorde de vogels die er voedsel zoeken tsjilpen, en het bijna onhoorbare gezoem van de libellen. Ik glimlachte en bedacht me hoe leuk het was om met vriendinnen bessen te verzamelen aan het einde van de zomer, en dan voelde ik angst en eenzaamheid en duisternis zoals ik nog nooit gevoeld had. Dat soort dingen. En daarna bleef het stil. En dan sprak ik, en vertelde. Dingen die ik aan niemand vertel. Over vroeger, toen ik dacht dat het gekoer van een duif in de boom voor ons huis hetzelfde als de roep van de koekoek was. Of over hoe ik me voel als ik door een straat fiets, en het heeft net geregend en ik hoor vogels fluiten. Over hoe geruststellend een autoweg kan zijn als je lang in het bos hebt gewandeld en een beetje verdwaald bent. Dat soort dingen.

En ik wist dat ze luisterde. Nee, echt waar. Ik heb haar wel eens over onze roos gesproken, namelijk. Ik zei dat de droge bloem op de schoorsteenmantel wel iets van haar weg had, en toen vertelde ik het verhaal van mijn dwaze verliefdheid op jou, met mijn gezicht naar de grond. Ik schaamde me een beetje, denk ik. En toen ik weer opkeek liep er een druppel over haar zwarte wang. Het was natuurlijk maar condens die van een verwarmingsbuis was gevallen, maar ze meende het wel, denk ik. En al die tijd dacht ik dat ze alleen maar een meisje was. Maar ze was natuurlijk ook een vrouw. Voor de maatstaven van haar tijd zeker. Die eerste keer in de trein was als een klap met een voorhamer. Ik nam net een hap van mijn appel en we reden onder dat viaduct door. En ineens was daar haar gelooide gezicht, op het beton, in een furie van lange rode haren, en eronder stond met enorme sierletters ‘Erik, I love you!’ gespoten. Ik kreeg kippenvel over mijn hele lichaam toen ik het zag. Goed, op de terugweg reed de trein wat langzamer en ik zag dat mijn eerste indruk niet helemaal juist was. Het bleek dat er ‘Evil, I love you!’ stond, en dat het niet haar gezicht was, maar een zwartgeblakerde schedel, in een waaier van rode vlammen. Iets heel gewoons dus, onder een spoorwegviaduct. Maar het oorspronkelijke beeld staat in mijn hersens gegrift en het laat me niet los. In die letters leek ‘Evil’ ook iets te veel op ‘Erik’ om toeval te zijn, naar mijn zin. Sindsdien weet ik het zeker. Ze houdt van me.

Als je me niet gelooft, het gaat nog verder. Een tijdje terug was ik naar ‘The voluntary dead’, de nieuwste horrorfilm van Wes Jackson. Ik hou er niet van om naar de bioscoop te gaan, zeker niet in mijn eentje. Ik ben maar een klein mannetje met een brilletje en ik word zenuwachtig van veel mensen, dat weet je. Maar Wes Jackson is De Man voor mij. Ik vind het geweldig zoals hij van de monsters in zijn films de eigenlijke helden maakt. Dus ik moest dat gaan zien, op het grote scherm. Ik zat daar in het donker te genieten en er kwam een scène, met een wetenschapper die de eigenlijke ster assisteerde, en dat wetenschappertje leek verontrustend veel op mij. In die scène liepen ze door een soort moeras. En wat denk je? Er komt een veenlijk de grond uit gebroken. Ja, horror, haha. Maar zij was het! Echt, ze leek er sprekend op. En ze omhelsde en kuste mij, of die wetenschapper bedoel ik, met haar zwarte lippen en trok me mee de diepte in! Daarna volgde er een soort vieze seks-sterfscène onder de grond, minder interessant, en die zag ik ook nauwelijks meer, want door die eerdere scène was ik spontaan aan het huilen geslagen, alweer ja. Maar naast mij zaten er twee blonde tienermeisjes popcorn te vreten. En ik had mijn bril afgedaan omdat die helemaal mistig werd van mijn tranen. Dus die meisjes fluisteren van zie je dat, hij zit te snikken omdat dat mannetje eindelijk seks heeft, hij wil vast ook seks met een lijk, getver wat een viespeuk. En dat raakte me in mijn ziel. Het was zo totaal diametraal tegenovergesteld aan wat ik voelde… Dus ik stond bruusk op en liep de bioscoop uit.

Het was een mooie nacht, erg warm, en ik liep nog wat na te snotteren buiten. Ik zette net mijn bril weer op toen een dikke vrouw me bij mijn schouder pakte en zei: ‘Treur niet, want Jezus houdt van u! Hij kent uw eenzaamheid en is voor u uit de doden opgestaan!’ En toen wilde ze me een folder geven. Maar ik zei: ‘Nee hoor, u vergist u. Het moet zijn: Ik treur niet, want mijn zus houdt van mij! Ze kent mijn eenzaamheid en is voor mij uit de doden opgestaan! Dat is toch echt heel iets anders hoor!’ Dus die vrouw dacht dat ik met haar een discussie wilde aangaan, ze bleef mijn schouder vasthouden en achter me aan lopen met haar folders. Ik probeerde te ontsnappen door de straat over te steken, maar ik had nog geen stap gezet toen iets mijn voet beetpakte, van beneden. Mijn schoen was blijven plakken in een klont halfgesmolten teer bij een putje. Ik hoorde piepende remmen en voelde een klap. Voor ik buiten westen ging, zag ik een donkergroen busje. Op de deur stond ‘Rosa’s Bloemen, wij bezorgen ook thuis’. Ja, ‘Rosa’s bloemen’, maf hè? Dezelfde zaak als waar ik ooit die roos voor jou gehaald heb? Het zal wel een franchisegebeuren zijn. Toen ik bijkwam in het ziekenhuis bleek ik behoorlijk in de lappenmand te liggen. Bijna al mijn ribben links waren gebroken.

Na twee weken mocht ik eindelijk weer naar huis. Ik kon niet wachten om mijn prinsesje weer te zien. Maar er was weinig van haar over. Ze lag helemaal uit elkaar. Mijn meisje was totaal uitgedroogd. Mijn kelder heeft blijkbaar toch niet helemaal het goede klimaat. Toen ik haar weer in elkaar wilde leggen, verkruimelden de stukken. Ik was wel verdrietig. Maar ik wist wat ik met haar moest doen. Achter de energiecentrale hier ligt een enorme ashoop, die gaan ze hergebruiken voor de wegenbouw of zo. De vliegas bestaat uit de miljoenen jare oude resten van planten en dieren. In as die zoveel ouder is dan zij moet ze kunnen rusten, dacht ik. Die nacht klom ik, met mijn gebroken-ribbengips én haar resten, over het hek. Ik ontstak haar en haar pop met wat benzine, en zong bye bye love, terwijl haar rook de hemel in verdween en haar as verkruimelde, terug naar de aarde. Ik nam haar en wat omringende vuurresten mee naar huis in een blik. Ik legde het poeder van wat ooit mijn vriendin was, omgeven met wat eeuwige kolenas in het gat, en gooide dat langzaam dicht. Het paste niet meer natuurlijk, want zij was er niet meer en het veen was behoorlijk uitgedroogd. Maar ik had wat zakken tuinaarde gehaald. Ik spreidde de grond er netjes egaal over uit en plantte een paar klimrozen van het tuincentrum boven het gat.

De volgende dag was een zondag. Ik was wat verdrietig, omdat ze verdwenen was uit mijn leven, maar toen ik de trap af liep, nog stijfjes van het gips, lag er een rode roos op de schoorsteenmantel. Een verse, verpakt in cellofaan. Ik dacht eerst van niet, maar het is toch onze roos. Aan het beduimelde etiketje kun je het zien. Hij staat hier weer in een vaasje. En ik denk, als dit haar afscheidscadeau was, dan houdt ze echt van me. Dat wilde ik je even vertellen. Dat er iemand van me houdt. Dat ik misschien een vreemd mannetje ben en dat ik rare dingen doe, maar dat er wel van me gehouden kan worden. Dat ik… Nou ja, ik verwacht niet dat je ook maar een woord gelooft van deze brief. Ik ga hem denk ik ook maar op de schoorsteenmantel zetten, en niet versturen. Ik moest het gewoon even kwijt, denk ik. Ik… Euh… Nou ja. Het was een bijzondere zomer.

Sam Gerrits

Je moet geregistreerd staan om te kunnen reageren.